The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
april 2000
De kracht van zelfbeheersing

De kracht van zelfbeheersing

President James E. Faust
Tweede raadgever in het Eerste Presidium

Zelfbeheersing (. . .) is de hoogste test van ons karakter.

President James E. Faust

Broeders, vanavond maken we deel uit van geschiedenis in wording. Wij zijn verenigd in de grootste priesterschapsbijeenkomst die ooit in een bedeling gehouden is. Wij zijn blij dat er behalve u in dit prachtige Conferentiecentrum nog honderdduizenden de bijeenkomst volgen. We zijn nu voor het eerst in dit nieuwe, prachtige gebouw bijeen en dat is van grote betekenis in de geschiedenis van de mensheid. We zijn de Heer dank verschuldigd die president Gordon B. Hinckley inspireerde met de profetische visie waardoor de bouw mogelijk werd. We danken bisschop H. David Burton, bisschop Richard C. Edgley, bisschop Keith B. McMullin en al degenen die bij de bouw betrokken zijn geweest. Nu het er staat, moeten we het gebruiken om het geloof van onze mensen te versterken.

Vanavond, broeders, wil ik spreken over de kracht van zelfbeheersing in bredere zin. Zelfbeheersing is van wezenlijk belang om de macht van het priesterschap van God aan te kunnen wenden. Dat komt omdat die goddelijke macht alleen in rechtschapenheid kan worden gebruikt. Zelfbeheersing vereist zelfbeschikking en een sterk karakter. Daardoor worden onze eigen gaven en talenten opmerkelijk vergroot. Het is de macht van edel menszijn.

Ieder mens, vooral een priesterschapsdrager, heeft tot taak zijn of haar gedachten, begeerten, taalgebruik, driften en verlangens te beheersen. Een voorbeeld is een opvliegend karakter. Als jongen had ik rood haar. Soms beschuldigde mijn moeder me ervan dat ik daardoor ook driftig was. Ze noemden me 'Rooie'. Dat waren strijdbare woorden. Ik denk dat ik mijn drift heb leren beheersen. Mensen met rood haar zijn niet de enigen die hun drift moeten leren beheersen. Wilskracht is nodig om onze gevoelens niet door irritaties te laten overheersen.

Een plaatselijke krant meldde onlangs een fenomeen dat gepaard gaat met het toenemende verkeer op onze wegen: 'Het is het normale beeld van het spitsuur: toeteren, te dicht op elkaar rijden, obscene gebaren. Zelfs regelrecht geweld komt op de weg steeds meer voor.' Soms loopt het uit de hand; we noemen dat 'agressie in het verkeer'. Ik heb me vaak afgevraagd waarom de persoonlijkheid van sommige mensen verandert als zij achter het stuur plaatsnemen, beschermd door glas en metaal. Op de een of ander manier lijkt het een excuus voor hun ruwe gedrag. Agressie in het verkeer wordt niet veroorzaakt door files maar door instelling. Bestuurders die geïrriteerd raken en agressief worden, kunnen hun zelfbeheersing verliezen en anderen op de snelweg ernstig letsel toebrengen of zelfs doden.

Zelfbeheersing is een opdracht voor iedereen. Alleen wij zelf kunnen onze begeerten en hartstochten beheersen. Zelfbeheersing kan niet gekocht worden voor geld of roem. Het is de hoogste test van ons karakter. Het vereist dat we uit de diepste dalen van ons leven klauteren en onze eigen Mount Everest beklimmen.

Als voltijdzendeling krijgen we belangrijke lessen in zelfbeheersing. We leren op tijd opstaan, hard werken en op tijd naar bed gaan. Voltijdzendelingen worden meestal bewonderd en zelfs gerespecteerd, hoewel hun boodschap misschien niet zo goed ontvangen wordt als we zouden willen. Het Eerste Presidium en andere algemene autoriteiten spreken met veel staatshoofden, ambassadeurs en ministers over de hele wereld. Vaak, als het onderwerp ter sprake komt, spreken die machtige en invloedrijke mannen met bewondering en respect over de zendelingen die ze in hun land gezien hebben.

Onze jonge zendelingen staan model voor de jongeman in het algemeen. Sommigen krijgen, als zij thuis komen, kritiek dat ze star zijn omdat ze zich keurig blijven kleden en hun haar netjes laten knippen. Ik begrijp niet waarom een teruggekeerde zendeling star is als hij probeert de normen en beginselen na te leven die hij op zending als vertegenwoordiger van de Heer verkondigd heeft aan de mensen onder wie hij gediend heeft. Natuurlijk verwachten we niet dat teruggekeerde zendelingen altijd witte overhemden en een stropdas dragen. Maar slordige kleren en een vreemde haarstijl om er trendy uit te zien passen niet bij iemand die van godswege tot het priesterschap geordend is. Teruggekeerde zendelingen zijn een voorbeeld voor de jongemannen van de Aäronische priesterschap, de toekomstige zendelingen. Vaak is wat de Aäronische priesterschap ziet krachtiger en overtuigender dan wat er gezegd wordt.

Mensen proberen vaak aandacht en instemming te krijgen van de groep waarin ze geaccepteerd willen worden. Door de invloed van die groep gaan ze misschien dingen doen die ze anders niet zouden doen. Dat is handelen uit zwakheid, niet uit kracht. De Heer belooft ons door middel van Moroni: 'En als de mensen tot Mij komen, zal Ik hun hun zwakheid tonen. Ik geef de mensen zwakheid, opdat zij nederig mogen zijn; en mijn genade is voldoende voor allen, die zich voor Mij vernederen; want indien zij zich voor Mij vernederen, en geloof in Mij hebben, zal Ik zwakke dingen sterk voor hen doen worden.'1

Zelfbeheersing is eenvoudigweg de dingen doen die we moeten doen en de dingen die we niet moeten doen, niet doen. Dat vergt kracht, wilskracht en eerlijkheid. Als het verkeer op de digitale snelweg verandert in een parkeerplaats, moeten we steeds meer op ons eigen zedelijke filter vertrouwen om goed van kwaad te onderscheiden. Hoewel het in veel opzichten prachtig is, schuilt er in het gebruik van Internet iets hypnotiserends. Ik doel dan vooral op de eindeloze tijd die wordt verspild in de chatbox of op pornografische sites.

Nu wil ik spreken over de beheersing van onze eigen gedachten. Op dat gebied is het geweten de enige scheidsrechter die kan fluiten als we ons boekje te buiten gaan. Als we onze gedachten niet beteugelen, kunnen ze uit de hand lopen. Onze gedachten zijn een deel van ons dat echt discipline en beheersing vereist. Ik denk dat lezen in de Schriften de beste wasmachine is voor onreine of onbeheerste gedachten. Voor degenen die ervoor in aanmerking komen en het waardig zijn, kan de gewijde, heilige tempel onze gedachten boven het aardse verheffen.

Toen ik aan atletiek deed en in dienst was, hoorde ik uitdrukkingen die mij danig in verlegenheid brachten. Als, zoals Samuel Johnson beweerde, 'de taal de kleding van de gedachte'2 is, dan is de taal die we op de televisie, in films en zelfs op onze scholen horen een armzalig aftreksel van onze huidige denkwijze. Ik maak me zorgen over jonge mensen die ongevoelig worden omdat zij die slechte taal steeds horen of gebruiken. Ik denk dat een jongeman met karakter geen ruwe taal gebruikt. Dragers van het heilig priesterschap van God behoren nooit smerige taal of obscene gebaren te gebruiken.

Ik spreek nu over de absolute noodzaak om alle lichamelijke begeerten te beheersen. We zouden die een 'doorn in het vlees'3 kunnen noemen. Harry Emerson Fosdick geeft een belangrijke uitleg van zelfbeheersing: 'Zelfverloochening (. . .) is niet een negatief, beperkend aspect, waarover we vaak ons hoofd schudden. In zekere zin bestaat er niet zoiets als zelfverloochening, want wat we zo noemen, is de prijs die we zullen moeten betalen voor zaken die we verlangen te hebben.'4

Een van de belangrijke grondslagen van persoonlijke kracht is reinheid. Alfred Lord Tennyson heeft dat als volgt vastgelegd: 'Mijn kracht is tienvoudig, want mijn hart is rein.'5 Met heel mijn hart vraag ik jullie dringend, om niet met een geheime schuld het huwelijk in te gaan. Misschien zul je het nooit kunnen vergeten. Je wilt leven met de kracht die voortvloeit uit een rein geweten, zodat je op een dag voor je Schepper kunt staan en zeggen: 'Mijn ziel is rein.' Zelfverloochening is niet beperkend. Het is bevrijdend. Het is het pad naar de vrijheid. Het is kracht. Het is een essentieel onderdeel van reinheid. Shakespeare heeft het bij monde van Hamlet juist gezegd:

Beteugel u vannacht,
En daardoor zal een tweede onthouding u
Reeds lichter vallen; lichter nog de derde;
Gewoonte kan onze inborst haast verand'ren.
De duivel boeien, of voorgoed uitbannen,
Met wonderlijke macht.6

Heber J. Grant was de eerste president van de kerk die ik mocht ontmoeten. Hij was echt een groot man. Wij bewonderden hem omdat een deel van zijn kracht bestond uit zijn vaste besluit zich te beheersen. Zijn vader stierf toen hij pas een jaar was en zijn moeder wist zich met moeite staande te houden. Plichtsgetrouw hielp hij haar en probeerde voor haar te zorgen.

Toen hij ouder werd en bij een honkbalteam wilde, (. . .) lachten de andere jongens hem uit, (. . .) noemden hem een moederskindje omdat hij de bal niet strak kon gooien. Zijn teamgenoten plaagden hem zo erg dat hij zich voornam dat (. . .) hij (. . .) eens zou spelen in het kampioensteam van Utah. Hij kocht een honkbal en oefende urenlang tegen een oude schuur van de buurman. Vaak deed zijn arm zo zeer dat hij 's nachts bijna niet kon slapen. Hij bleef oefenen en (. . .) progressie maken, totdat hij werd toegelaten tot het team dat vervolgens het kampioenschap won.7

Nog een voorbeeld van zijn zelfbeheersing was zijn besluit om een goed handschrift te krijgen. Hij schreef zo slecht dat een van de twee vrienden die het zagen, zei: 'Zijn handschrift is hanenpoot en baksteen.' 'Nee,' zei de ander, 'het ziet eruit alsof de inktpot door de bliksem is getroffen.' Dat was de jonge Hebers eer te na. Toen hij in zijn tienerjaren ijverig als schrijver op het kantoor van H.R. Mann and Co. werkte, kreeg hij een drievoudig salaris aangeboden om als schrijver in San Francisco te gaan werken. Later werd hij leraar schoonschrijven en boekhouden aan de University of Utah. In feite won hij op een regionale beurs met een proeve die hij vóór zijn zeventiende geschreven had, de eerste prijs, met vier professionele schrijvers als mededingers.8

Zingen was nog zo'n uitdaging voor president Grant. Als kind kon hij geen wijs houden. Toen hij tien was, probeerde een muziekleraar hem een eenvoudig lied te leren en gaf dat uiteindelijk wanhopig op. Toen hij 26 was, en apostel werd, vroeg hij of professor Sims hem kon leren zingen. Toen hij hem beluisterd had, zei de professor: 'Ja, je kunt wel leren zingen, maar dan wel als ik een heel eind bij je uit de buurt ben.' Dat alleen al zorgde ervoor dat hij nog meer zijn best ging doen.9

President Grant heeft eens gezegd: 'Ik heb het 'Gloria'10 drie- tot vierhonderd keer geoefend, het heeft maar vier regels, en ik kan het niet zingen -- nog niet.'11 Er wordt gezegd dat president Grant aan ouderling Rudger Clawson en ouderling J. Golden Kimball, op reis naar Arizona, 'gevraagd heeft of hij onderweg honderd liedjes mocht zingen. Ze dachten dat hij schertste en zeiden: "Prima, ga je gang". Na de eerste veertig verzekerden ze hem dat zij allebei, als hij de andere zestig ook zong, een zenuwinzinking zouden krijgen. Hij heeft die andere zestig toch maar gezongen.'12

Door zijn hele leven te oefenen is hij iets vooruitgegaan in zingen maar nooit zoveel als in honkbal en schrijven. President Grant had een lievelingscitaat van Ralph Waldo Emerson als leidraad: 'Datgene waarin we volharden, gaat ons steeds gemakkelijker af, niet omdat de aard van de zaak anders is geworden, maar omdat ons vermogen om het te doen toegenomen is'.

Een priesterschapsdrager zoekt geen excuses voor zijn gebrek aan zelfbeheersing. Zelfs onder moeilijke omstandigheden kunnen we allemaal streven naar zelfbeheersing. Daardoor kunnen we grote zegeningen van persoonlijke voldoening ontvangen. Zelfbeheersing heeft te maken met de spiritualiteit waarnaar we in het sterfelijk leven op zoek zijn. Zoals president David O. McKay eens gezegd heeft: 'Spiritualiteit is het besef van de overwinning op onszelf en van het contact met het oneindige. Spiritualiteit zet ons aan om moeilijkheden te overwinnen en steeds meer kracht te verwerven. Voelen hoe je talenten zich ontvouwen en hoe de waarheid de ziel ontplooit, is een van de prachtigste ervaringen in het leven.'13 William Ernest Henley, bij wie in zijn jeugd een voet geamputeerd werd, ging moedig voorbij aan zijn lichamelijke beperking om naar hart en geest de overwinning te behalen toen hij zijn beroemde gedicht 'Invictus' schreef:


Uit de nacht die mij toedekt,
Zwart als de peilloze put,
Dank ik, welke goden ook,
Voor mijn onneembare ziel.
In 's levens wrede greep
Heb ik niet gehuiverd of luid geweend;
Onder de gesel van het lot
Is mijn hoofd bebloed, maar ongebogen.
Ongeacht hoe eng de poort,
De straffen op de rol,
Ik ben de meester van mijn lot:
Ik voer het bevel over mijn ziel.13

Broeders, ik getuig met mijn hele hart en ziel dat we door de kracht van zelfbeheersing de zegeningen zullen beërven die onze hemelse Vader voor zijn getrouwe zoons heeft. In de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Ether 12:27.
2. Oxford Dictionary of Quotations, 4e druk, blz. 368.
3. 2 Korintiërs 12:7.
4. The Meaning of Service (1920), blz. 83.
5. Oxford Dictionary of Quotations, blz. 689.
6. Hamlet, derde bedrijf, vierde toneel, regels 166­170.
7. Roderick L. Cameron, Tenacity, BYU Speeches of the Year (1 december 1964), blz. 3.
8. David C. Call, Succes -- Spiritual and Temporal, BYU Speeches of the Year (30 november 1965), blz. 6.
9. Zie Cameron, Tenacity, blz. 2.
10. 'Praise God, from Whom All Blessings Flow', Hymnbook, 242.
11. Conference Report, april 1900, blz. 61.
12. Cameron, Tenacity, blz. 3.
13. Gospel Ideals (1953), blz. 390.
14. Invictus. Oxford Dictionary of Quotations, blz. 332.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy