The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
April 2000
Uw eeuwige thuis

Uw eeuwige thuis

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

Wij zijn ook eigenlijk een eeuwig huis aan het bouwen. Wij zijn leerlingen in ons vak -- geen geschoolde ambachtslieden. Wij hebben goddelijke hulp nodig om met succes te kunnen bouwen.

President Thomas S. Monson

Op een dag nam de Heiland tijdens zijn bediening op aarde Petrus, Jakobus en Johannes mee naar een hoge berg en 'veranderde voor hun ogen en zijn gelaat straalde gelijk de zon en zijn klederen werden wit als het licht. En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken.

'Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Here, het is goed, dat wij hier zijn.'1

Vandaag, bij deze historische gelegenheid, komen wij bijeen in dit magnifieke Conferentiecentrum, en in de andere faciliteiten op Temple Square en in de hele wereld.

Tranen komen in onze ogen en dankbaarheid vult ons hart wanneer wij de titel uitspreken van een prachtig lied: 'Dank zij God'.2 De bouw van dit heiligdom is al heel lang gepland. We hadden een veel groter gebouw nodig om plaats te bieden aan allen die gedurende het jaar de conferentie en allerlei andere activiteiten willen bijwonen. Werklieden met groot vakmanschap hebben met hart en handen gewerkt om een gebouw neer te zetten dat de goedkeuring van de Heer kan wegdragen. 'Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf.'3

Tijdens de bediening van Jezus onder de mensen, lang geleden en ver weg, sprak Hij vaak in gelijkenissen, in taal die de mensen het beste begrepen. Vaak legde hij verband tussen de bouw van een huis en het leven van zijn luisteraars. Werd hij niet vaak 'de zoon van de timmerman' genoemd? Hij zei: 'Geen (. . .) huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden.'4 Later waarschuwde Hij: 'Mijn huis is een huis van orde, (. . .) en niet een huis van verwarring.'5

In een openbaring aan de profeet Joseph Smith te Kirtland (Ohio), gaf de Meester op 27 december 1832 het volgende advies: 'Organiseert u, vervaardigt elk noodzakelijk voorwerp, en vestigt een huis, ja, een huis des gebeds, een huis van vasten, een huis des geloofs, een huis van wetenschap, een huis van heerlijkheid, een huis van orde, een huis van God.'6

Waar zou iemand onder ons een geschiktere blauwdruk kunnen vinden op basis waarvan hij of zij op verstandige en juiste wijze een huis kan bouwen om gedurende de eeuwigheid te bewonen?

Wij zijn ook eigenlijk een eeuwig huis aan het bouwen. Wij zijn leerlingen in ons vak -- geen geschoolde ambachtslieden. Wij hebben goddelijke hulp nodig om met succes te kunnen bouwen. De woorden van instructie die de apostel Paulus gaf, verschaffen ons de verzekering die wij nodig hebben: 'Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en dat de Geest Gods in u woont?'7

Bedenken wij dat ieder van ons letterlijk een geestzoon of ­dochter is van God, dan zullen we het niet moeilijk vinden om onze hemelse Vader in gebed te benaderen. Hij weet de grondstof die wij het leven noemen op waarde te schatten. 'Gedenkt, dat de waarde van zielen groot is in Gods ogen.'8 Zijn uitspraak vindt een plaats in onze ziel en inspireert ons tot het zien van een doel in ons leven.

Er is een Leraar die onze inzet zal leiden als wij maar geloof in Hem hebben -- de Heer Jezus Christus. Hij geeft ons deze uitnodiging: 'Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht.'9

Er werd van Jezus gezegd: '[Hij] nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen.'10 Zijn wij vastbesloten om dat ook te doen? Eén regel in de heilige Schrift vermeldt een eerbetoon aan onze Heer en Heiland: 'Hij is rondgegaan, weldoende.'11

Paulus gaf in zijn brief aan zijn dierbare Timoteüs een manier aan om een beter mens te worden en tegelijkertijd hulp te geven aan anderen die in stilte peinzen en vervolgens hardop de vraag stellen: 'Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?'12

Het antwoord dat de apostel Paulus Timoteüs gaf, verschaft ieder van ons een geïnspireerde opdracht. Laten wij luisteren naar zijn wijze raad: 'Wees een voorbeeld voor de gelovigen, in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid.'13

Laten wij deze plechtige instructie eens nader bekijken, want eigenlijk is hij aan ons gegeven.

Ten eerste: wees een voorbeeld in woord. 'Laat uw woorden er toe strekken elkander op te bouwen'14, heeft de Heer gezegd.

Denken wij aan de raad die ons in een populaire zondagsschoollofzang gegeven wordt?

O, die woorden zo schoon, op een vriend'lijke toon,
brengen zonlicht in 't droevige hart,
laat ons vriend'lijke woorden steeds spreken,
ze lenigen droefheid en smart.15

Denk eens na over de opmerking van Mary Boyson Wall, die enkele jaren geleden haar 105e verjaardag vierde. Zij huwde Don Harvey Wall in de Salt Lake-tempel in 1913. Zij vierden hun 81e huwelijksjubileum kort voordat Don op 103-jarige leeftijd overleed. In een artikel in Church News schreef ze hun lange leven en huwelijk toe aan het spreken van vriendelijke woorden. Ze zei: 'Ik denk dat dát ons er doorheen heeft geholpen, want we probeerden elkaar te helpen en zeiden nooit iets onvriendelijks tegen elkaar.'16

Ten tweede: wees een voorbeeld in uw gesprekken. Tijdens de algemene oktoberconferentie van 1987 heeft president Gordon B. Hinckley gezegd: 'Smerige woorden verlagen de persoon die ze gebruikt. Als dat uw gewoonte is, hoe kunt u er dan mee ophouden? Begin met de beslissing om er iets aan te doen. De volgende keer dat u de neiging hebt om die woorden te gebruiken waarvan u weet dat ze verkeerd zijn, stop dan gewoon. Zeg even niets, of formuleer wat u wilde zeggen op een andere manier.'17

Francois La Rochefoucauld heeft eens opgemerkt: 'Een van de redenen dat zo weinig mensen zinnige en prettige gesprekken kunnen hebben, is dat bijna iedereen denkt aan wat hij zelf wil zeggen, in plaats van duidelijk te antwoorden op wat er tegen hem gezegd wordt.'

Ten derde: wees een voorbeeld in liefde.

In Korintiërs staat deze mooie waarheid: 'De liefde vergaat nimmermeer.'18

Het is bevredigend voor de ziel om te zien hoe snel de kerk gereageerd heeft op natuurrampen, zoals die in Mozambique, Madagascar, Venezuela en veel andere plaatsen. Vaak zijn wij het eerste ter plaatse, en bieden de meeste hulp. Er zijn uiteraard ook andere organisaties die op soortgelijke wijze veel hulp bieden.

Wat is naastenliefde? Moroni heeft van de woorden van zijn vader Mormon onder meer het volgende opgetekend: 'Naastenliefde is de reine liefde van Christus, en duurt voor eeuwig.'19

Iemand die een goed voorbeeld was in naastenliefde, was president George Albert Smith. Kort na de Tweede Wereldoorlog hield de kerk een inzamelingsactie voor warme kleding om naar de noodlijdende heiligen in Europa te sturen. De ouderlingen Harold B. Lee en Marion G. Romney namen president George Albert Smith mee naar Welfare Square in Salt Lake City om de resultaten te bekijken. Zij waren onder de indruk van de vrijgevigheid van de leden. Zij zagen president Smith toekijken terwijl de werkers de grote hoeveelheden gedoneerde kleding en schoenen inpakten. Ze zagen de tranen over zijn gezicht lopen. Even later deed president George Albert Smith zijn eigen nieuwe overjas uit en zei: 'Verstuur die alstublieft ook.'

De autoriteiten zeiden tegen hem: 'Nee, president, stuur die maar niet; het is koud en u hebt uw jas nodig.'

Maar president Smith wilde hem niet terugnemen; dus zijn jas werd met al die andere naar Europa gestuurd, waar de nachten lang en donker, en voedsel en kleding schaars waren. Toen arriveerden de hulpgoederen. Er werd luidkeels uiting gegeven aan vreugde en dankbaarheid, en er werden stille gebeden uitgesproken.

Ten vierde: wees een voorbeeld in geest. De psalmist heeft geschreven: 'Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest.'20

Als jongen van zeventien ging ik in dienst bij de Amerikaanse marine en ging ik naar het opleidingskamp in San Diego (Californië). De eerste paar weken had je het gevoel dat de marine je probeerde te doden in plaats van op te leiden.

Ik herinner me de eerste zondag in San Diego. De hoogste onderofficier zei tegen ons: 'Vandaag gaat iedereen naar de kerk.' Vervolgens gingen we op het exercitieveld in de rij staan. De onderofficier schreeuwde: 'Iedereen die katholiek is komt bijeen in Camp Decatur. Voorwaarts, mars! En kom niet terug voor drie uur vanmiddag!' Een groot aantal rekruten marcheerde weg. Toen zei hij: 'Iedereen die van het joodse geloof is, komt bijeen in Camp Henry. Voorwaarts, mars! En kom niet terug voor drie uur vanmiddag!' Een kleinere groep marcheerde weg. Toen zei hij: 'De rest van jullie, protestanten, komt bijeen in de theaters in Camp Farragut. Voorwaarts, mars! En kom niet terug voor drie uur vanmiddag!'

De gedachte schoot door mijn hoofd: Monson, je bent geen katholiek. Je bent geen jood. Je bent geen protestant. Ik besloot te blijven staan. Het leek wel of er honderden mannen aan mij voorbij marcheerden. En toen hoorde ik de vriendelijkste woorden die de onderofficier ooit in mijn bijzijn zou zeggen. Hij zei: 'En wat noemen jullie, mannen, jezelf dan wel?' Hij gebruikte een meervoud -- mannen. Dat was de eerste keer dat ik merkte dat er nog iemand achter me stond op dat exercitieveld. In koor zeiden we: 'Wij zijn mormoon.' Hij krabde zich op zijn hoofd, trok een verward gezicht, en zei: 'Nou ja, zoek maar een plek om bijeen te zijn, en kom niet terug voor drie uur vanmiddag.' Wij marcheerden weg. Dat konden we bijna doen op de cadans van het rijmpje uit het jeugdwerk:

Durf mormoon te zijn;
durf alleen te zijn.
Durf een doel na te leven,
durf dat aan te geven.

Ten vijfde: wees een voorbeeld in geloof.

President Stephen L. Richards heeft het volgende over geloof gezegd: 'De erkenning van een macht hoger dan de mens zelf, verlaagt hem in geen enkel opzicht. Als hij, in zijn geloof, weldadigheid en een hoger doel toeschrijft aan de Macht die boven hem staat, stelt hij zich een hoger doel en edeler eigenschappen voor de mens voor, en wordt hij gestimuleerd en aangemoedigd in de worsteling om het bestaan. Hij moet zoeken -- geloven, bidden -- en hopen dat hij zal vinden. Een dergelijke oprechte, gebedvolle inzet blijft nooit onbeloond; dat is de grondwet van de filosofie van het geloof. Goddelijke gunst valt diegenen toe die er in ootmoed naar streven.'21

Minnie Louise Haskins heeft dat beginsel prachtig weergegeven:

Ik zei tegen de man bij de poort van het jaar: geef mij een lamp, zodat ik veilig het onbekende kan betreden. En hij antwoordde: Ga het donker in en geef God uw hand. Dat is beter voor u dan een lamp, en veiliger dan een bekende weg.22

Ten laatste, wees een voorbeeld in reinheid.

'Wie mag de berg des Heren beklimmen, wie mag staan in zijn heilige stede?

Die rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert.

Die zal van de Here een zegen wegdragen en gerechtigheid van de God zijns heils.'23

Zoals president David O. McKay heeft opgemerkt: 'De veiligheid van ons volk is afhankelijk van de reinheid en kracht van het gezin; en ik dank God voor de leringen van de kerk met betrekking tot het gezin, en de indruk die vriendelijke ouders hebben gemaakt, dat het gezin de heiligste plek in de wereld moet zijn. Ons volk is gezinsgericht, en ze leren overal, van hun jeugd tot in hun ouderdom, dat het gezin rein moet zijn en een toevluchtsoord tegen het kwaad van de wereld.'24

Vele jaren geleden woonde ik een ringconferentie bij in Star Valley (Wyoming), waar het ringpresidium werd gereorganiseerd. De ringpresident die ontheven zou worden, E. Francis Winters, was vele jaren trouw in die functie werkzaam geweest: 23 jaar. Hoewel hij van nature bescheiden was en het niet breed had, was hij voor iedereen in die vallei een voortdurende steunpilaar geweest. Op de dag van de ringconferentie was het gebouw overvol. Elk hart leek in stilte dank u te zeggen tegen deze edele leider die zo onzelfzuchtig een deel van zijn leven had opgeofferd voor het welzijn van anderen.

Toen ik opstond om te spreken, kreeg ik de ingeving om iets te doen dat ik nog nooit had gedaan, en dat ik sindsdien ook nooit meer heb gedaan. Ik vertelde hoe lang Francis Winters de ring gepresideerd had; toen vroeg ik allen die hij als kind een naam en een zegen had gegeven om te gaan staan en te blijven staan. Toen vroeg ik allen die door president Winters geordend, aangesteld, geadviseerd of gezegend waren om te gaan staan. De uitkomst was ongelooflijk. Alle aanwezigen stonden op. Er vloeiden heel wat tranen -- tranen die beter dan woorden aangaven hoe dankbaar de harten waren. Ik wendde mij tot president en zuster Winters, en zei: 'Wij zijn vandaag getuige van een ingeving van de Geest. Deze menigte geeft niet alleen individuele gevoelens weer, maar tevens de dankbaarheid van God voor een goed leven.' Geen enkele persoon die die dag aanwezig was, zal ooit vergeten hoe hij of zij zich voelde toen wij getuige waren van de taal van de Geest des Heren.

In Francis Winters hadden we 'een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid.'25

Trouw aan 't geloof dat onz' ouders beleden!
Trouw aan 't geloof waar de mart'laars voor streden!
Wat God beval of spreken zal,
darvoor staan w'immer onwrikbaar pal!26

Dat een ieder van ons dat zal doen, is mijn nederig gebed. In de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Matteüs 17:2­4.
2. 'God zij dank', Felix Mendelssohn.
3. Matteüs 25:21.
4. Matteüs 12:25.
5. Leer en Verbonden 132:8.
6. Leer en Verbonden 88:119.
7. 1 Korintiërs 3:16.
8. Leer en Verbonden 18:10.
9. Matteüs 11:28­30.
10. Lucas 2:52.
11. Handelingen 10:38.
12. Handelingen 8:31.
13. 1 Timoteüs 4:12.
14. Leer en Verbonden 136:24.
15. HL 79. Tekst naar Joseph L. Townsend.
16. Church News, 21 september 1996.
17. Ensign, november 1987, blz.47, Gordon B. Hinckley.
18. 1 Korintiërs 13:8.
19. Moroni 7:47.
20. Psalmen 51:12.
21. Conference Report, oktober 1937, blz. 35, 38.
22. 'The Gate of the Year', The Oxford Dictionary of Quotations, 2de editie (1953), blz. 239.
23. Psalmen 24:3­5.
24. Conference Report, april 1909, blz. 6, David O. McKay.
25. 1 Timoteüs 4:12.
26. Lofzang 170. Tekst naar Evan Stephens.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy