The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
april 2000
Mijn getuigenis

Mijn getuigenis

President Gordon B. Hinckley

Van alle zaken waarvoor ik me (. . .) dankbaar voel, ben ik bij uitstek dankbaar voor mijn levend getuigenis van Jezus Christus.

President Gordon B. Hinckley

Nu is het mijn beurt om een aantal woorden te spreken, broeders en zusters. Mijn hart is deze ochtend vol dankbaarheid. Ik voel me zo rijkelijk gezegend door de Heer. Als ik de gezichten zie van de duizenden die in dit nieuwe, prachtige gebouw zijn samengekomen, en dan denk aan de honderdduizenden die wereldwijd naar deze conferentie luisteren, word ik bijna overmand door gevoelens van dankbaarheid voor de geweldige eenheid die onder ons bestaat.

Als ik even iets over mezelf mag zeggen: ik denk dat niemand zo rijkelijk gezegend is als ik. Ik kan het niet begrijpen. Ik apprecieer de vele blijken van vriendelijkheid en liefde die ik van u ontvang.

Door de goedheid van anderen heb ik in het belang van de kerk over de aarde gereisd. Ik heb opmerkelijke kansen gehad om, door de gastvrijheid van de media, tot de wereld te spreken. Ik heb mijn getuigenis uitgesproken in de belangrijke gebouwen van dit land, van Madison Square Garden in New York tot het Astrodome in Houston. Mensen in belangrijke posities hebben me ontvangen en met groot respect over ons werk gesproken.

Anderzijds heb ik in deze jaren gezien op welke gemene en verachtelijke manier onze critici te werk gaan. Ik denk dat de Heer hen in gedachten had toen Hij zei:

'Vervloekt zijn allen, die hun hiel tegen mijn gezalfden opheffen en roepen, dat zij hebben gezondigd, wanneer zij niet voor Mij hebben gezondigd, zegt de Here, doch hebben gedaan, hetgeen goed in mijn ogen was, en hetgeen Ik hun had geboden.

'Maar zij, die overtreding roepen, doen het, omdat zij zelf de dienaren der zonde en de kinderen der ongehoorzaamheid zijn. (. . .)

'Wee hun. (. . .)

Hun korf zal niet vol zijn, hun huizen en hun schuren zullen vergaan, en zij zelf zullen worden veracht door hen, die hen vleiden' (LV 121:16­17, 19­20).

Aan Hem die er het recht toe heeft, laten we het oordeel dat kan komen over degenen die zich tegen zijn werk verzetten.

Ik geef nogmaals uiting aan mijn dankbaarheid. Dank u, broeders en zusters, voor uw gebeden. Dank u voor uw steun in het belangrijke werk dat we trachten te volbrengen. Dank u voor uw gehoorzaamheid aan Gods geboden. Hij is verheugd en houdt van u. Dank u voor uw getrouwheid in de uitvoering van uw belangrijke taken. Dank u voor uw bereidwillige antwoord op elk beroep dat op u gedaan wordt. Dank u dat u uw kinderen opvoedt in licht en waarheid. Dank u voor het onverflauwd getuigenis dat u in uw hart draagt betreffende God, onze eeuwige Vader en zijn geliefde Zoon, de Heer Jezus Christus.

Ik ben heel dankbaar voor de jeugd van de kerk. Er is overal zoveel kwaad. Verleiding, met al zijn prikkelende invloeden, is overal om ons heen. Sommigen verliezen we helaas aan die verwoestende krachten. We hebben verdriet om iedereen die verloren gaat. We steken hun onze hand toe om hen te helpen, te redden, maar te vaak wordt ons verzoek afgewezen. Tragisch is de koers die zij volgen. Het is de weg die leidt tot vernietiging.

Maar er zijn zoveel jonge mensen, honderdduizenden, die getrouw zijn, die goudeerlijk zijn en zo sterk als een grote golf van de zee in de koers die zij voor zichzelf hebben uitgestippeld. Het is een rechtschapen en goede koers, een koers waardoor ze iets kunnen bereiken. Zij maken iets van hun leven en de wereld zal voor hen zoveel beter zijn.

Ik ben intens dankbaar voor de schitterende periode in de geschiedenis waarin wij leven. Zo is er nooit een geweest. Wij worden, vergeleken bij alle mensen die op aarde geweest zijn, zo rijk en overvloedig gezegend.

Maar van alle zaken waarvoor ik me deze morgen dankbaar voel, ben ik bij uitstek dankbaar voor mijn levend getuigenis van Jezus Christus, de Zoon van de almachtige God, de Vredevorst, de Heilige.

Tijdens een bijeenkomst van zendelingen in Europa stak een zendeling zijn hand op en vroeg: 'Kunt u ons uw getuigenis geven en vertellen hoe u het gekregen hebt?'

Ik wil vanmorgen iets proberen te zeggen over de ontwikkeling van mijn getuigenis. Dat is natuurlijk iets persoonlijks. Ik hoop dat u me dat niet kwalijk neemt.

Mijn vroegste herinnering aan geestelijke gevoelens dateert ongeveer uit de tijd dat ik vijf was, een kleine jongen. Ik huilde van de oorpijn. Er waren in die tijd geen wondermiddelen. Het was 85 jaar geleden. Mijn moeder maakte een zakje tafelzout en verwarmde het op de kachel. Mijn vader legde zachtjes zijn handen op mijn hoofd en gaf me een zegen waarbij hij de pijn en de ziekte bestrafte door het gezag van het heilige priesterschap en in de naam van Jezus Christus. Toen nam hij me teder in zijn armen en legde het warme zakje met zout op mijn oor. De pijn nam af en verdween. Ik viel in slaap in de veilige omarming van mijn vader, terwijl de woorden van zijn zegen door mijn hoofd gingen. Dat is mijn vroegste herinnering aan de uitoefening van het priesterschapsgezag in de naam van de Heer.

Later in mijn jeugd sliepen mijn broer en ik in de winter in een onverwarmde slaapkamer. Men dacht dat dat goed voor je was. Voordat we in ons warme bed kropen, knielden we neer en baden. Het waren eenvoudige uitingen van dankbaarheid. We sloten ze af in de naam van Jezus. De onderscheidende titel van Christus gebruikten we in die tijd weinig in ons gebed.

Ik herinner me dat ik na het 'amen' in mijn bed sprong, en de dekens optrok tot aan mijn kin en nadacht over wat ik tegen mijn hemelse Vader in de naam van zijn Zoon gezegd had. Ik wist niet veel van het evangelie. Maar er bleef een soort gevoel van vrede en veiligheid hangen door in en door de Heer Jezus met de hemel in contact te staan.

Toen ik in Engeland op zending ging, werd mijn getuigenis sterker. Elke ochtend lazen mijn collega en ik samen in het evangelie van Johannes en we bespraken elk vers. Dat was een mooie, verhelderende ervaring. Dat prachtige testament begint met een verklaring over de goddelijke aard van de Zoon van God. Er staat: 'In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.

'Dit was in den beginne bij God.

'Alle dingen zijn door het Woord geworden, en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.

' (. . .) Het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid' (Johannes 1:1­3, 14).

Destijds heb ik veel over die verklaring nagedacht, en ook later heb ik er vaak over nagedacht. Hij laat geen twijfel omtrent de individualiteit van de Vader en de Zoon. Aan de Zoon heeft de Vader de grote taak gegeven om de aarde te scheppen, 'en zonder [Hem] is geen ding geworden, dat geworden is'.

Ik heb in deze wereld veel lelijks gezien. Het meeste daarvan is mensenwerk. Maar ik denk dat ik veel meer moois gezien heb. Ik verbaas me over de verheven werken van de Schepper. Wat zijn die prachtig. En allemaal zijn ze het werk van de Zoon van God.

'Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.' Hij, de Zoon van de Vader, is naar de aarde gekomen. Hij achtte zich niet te goed om zijn koninklijke, verheven omgeving te verlaten waar Hij een Vorst, de Eerstgeborene van de Vader was, om de sterfelijkheid op Zich te nemen, geboren te worden in stal, de nederigste van alle plaatsen, in een afhankelijke staat die bestuurd werd door de hoofdlieden van Rome.

Hoe had Hij Zich nog verder kunnen vernederen?

Hij heeft Zich door Johannes in de Jordaan laten dopen om 'alle gerechtigheid te vervullen'. (Zie Matteüs 3:15.) Zijn aardse bediening werd voorafgegaan door de slimme verleidingen van de tegenstander. Hij heeft die weerstaan door te zeggen: 'Ga weg, achter Mij, Satan'. (Zie Lucas 4:8.)

Hij trok door Galilea, Samaria en Judea en verkondigde daar het evangelie van verlossing, maakte blinden ziende, liet lammen lopen en wekte de doden weer tot leven. En toen, om zijn Vaders plan van geluk voor zijn kinderen te volbrengen, gaf Hij zijn leven als prijs voor de zonden van ons allen.

Dat getuigenis groeide in mijn hart toen ik als zendeling in het Nieuwe Testament las en in het Boek van Mormon, dat nader van Hem getuigde. Die kennis werd het fundament van mijn leven, gegrondvest op de basis van beantwoorde gebeden in mijn jeugd.

Sindsdien is mijn geloof nog veel meer gegroeid. Ik ben zijn apostel geworden, aangesteld om zijn wil te doen en zijn woord te verkondigen. Ik ben zijn getuige voor de wereld geworden. Ik herhaal dat getuigenis van mijn geloof voor u en voor iedereen die op deze sabbatmorgen mijn stem hoort.

Jezus is mijn vriend. Niemand anders heeft mij zoveel gegeven. 'Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden' (Johannes 15:13). Hij heeft zijn leven voor mij gegeven. Hij heeft de weg naar het eeuwige leven geopend. Alleen een God kon dat. Ik hoop dat ik het waardig ben een vriend voor Hem te zijn.

Hij is mijn voorbeeld. Zijn manier van leven, zijn absoluut onzelfzuchtig gedrag, zijn hulp aan behoeftigen, zijn uiteindelijke offer, dat alles is een voorbeeld voor mij. Ik kan er niet helemaal aan beantwoorden, maar ik kan het proberen.

Het brood zegt ons dat Hij zijn vlees,
zijn lichaam voor ons gaf
en voor der mensheid zond' en schuld
terneder ging in 't graf.
('Hoe groot de wijsheid', lofzang 131)

Hij is mijn leraar. Geen enkele andere stem heeft ooit zulke wonderbaarlijke woorden gesproken als die van de zaligsprekingen:

'Toen Hij nu de scharen zag (. . .) opende Hij zijn mond en leerde hen, zeggende:

'Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

'Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.

'Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

'Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

'Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.

'Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.

'Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

'Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen' (Matteüs 5:1­10).

Geen andere leraar heeft ooit zulke weergaloze raad gegeven die de menigte op de berg kreeg.

Hij is mijn genezer. Ik heb ontzag voor zijn verbazingwekkende wonderen. En toch weet ik dat ze gebeurd zijn. Ik aanvaard de waarheid van die zaken omdat ik weet dat Hij de Meester is van leven en dood. De wonderen van zijn bediening getuigen van mededogen, liefde en menselijkheid die prachtig zijn om te zien.

Hij is mijn leider. Ik voel me vereerd dat ik deel uitmaak van de lange stoet mensen die van Hem houden en Hem gevolgd hebben gedurende de tweeduizend jaar die sinds zijn geboorte verstreken zijn.

Voorwaarts, christenstrijders! Voorwaarts naar de strijd,
Onder 't kruis van Jezus, dat u steeds geleidt!
Christus, Koning, Meester, voert ten krijg u aan,
Voorwaarts, ziet verheven zijn banieren gaan!
('Voorwaarts, christenstrijders',
lofzang 165)

Hij is mijn Heiland en Verlosser. Door zijn leven te geven, in pijn en onzegbaar lijden, heeft Hij zich neergebogen om mij, ieder van ons en alle zoons en dochters van God, te tillen uit de afgrond van de eeuwige duisternis die volgt op de dood. Hij heeft gezorgd voor iets beters, een sfeer van licht en begrip, groei en schoonheid waarin we voorwaarts kunnen gaan op de weg naar het eeuwige leven. Mijn dankbaarheid kent geen grenzen. Mijn dank aan de Heer heeft geen einde.

Hij is mijn God en mijn Koning. Voor altijd en eeuwig zal Hij regeren en heersen als Koning der koningen en Heer der heren. Aan zijn rijk komt geen einde. Zijn heerlijkheid zal geen nacht kennen.

Niemand anders kan of zal zijn plaats innemen. Onbesmet en zonder enige fout is Hij het Lam van God voor Wie ik buig en door Wie ik mijn eeuwige Vader in de hemel benader.

Jesaja heeft zijn komst voorzegd:

'Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst' (Jesaja 9:5).

Degenen die in Palestina met Hem samen waren, hebben getuigd van zijn goddelijke aard. De hoofdman die Hem zag sterven, verklaarde plechtig: 'Waarlijk, dit was een Zoon Gods' (Matteüs 27:54.)

Tomas riep bij het zien van zijn herrezen lichaam vol ontzag uit: 'Mijn Heer en mijn God!' (Johannes 20:28.)

Op dit halfrond hoorden mensen aan wie Hij verscheen, de stem van de Vader die Hem voorstelde: 'Ziet mijn geliefde Zoon, in Wie Ik mijn welbehagen heb, in Wie Ik mijn naam heb verheerlijkt' (3 Nephi 11:7).

En de profeet Joseph heeft in deze bedeling gezegd:

'En nu, na de vele getuigenissen die van Hem zijn gegeven, is dit het getuigenis, het allerlaatste dat wij van Hem geven: Dat Hij leeft!

'Want wij zagen Hem, namelijk ter rechterhand Gods; en wij hoorden de stem, die getuigenis gaf, dat Hij de Eniggeborene des Vaders is' (LV 76:22­23).

Ik voeg hier mijn eigen getuigenis aan toe dat Hij 'de weg, de waarheid en het leven' is en dat 'niemand tot de Vader' komt dan door Hem (Johannes 14:6).

Dankbaar, en met onverminderde liefde getuig ik hiervan in zijn heilige naam, de naam van Jezus de Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy