President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium
'Wij hebben allen de plechtige taak om het priesterschap te eren en om vele dierbare zielen tot de Heer te brengen.'
Mijn beste broeders, het is een enorme verantwoordelijkheid, maar voor mij ook een formidabel voorrecht, om gehoor te geven aan de opdracht om u vanavond toe te spreken. De algemene conferentie, inclusief de algemene priesterschapsbijeenkomst, waar we naar hebben uitgekeken of we nu hier zijn of hem volgen via de satelliet of de televisie brengt vreugde in ons hart.
De Heer heeft duidelijk gezegd wat onze verantwoordelijkheid is, en Hij heeft ons in afdeling 107 van de Leer en Verbonden een plechtige opdracht gegeven: 'Laat daarom nu eenieder met zijn plicht bekend worden, en het ambt waartoe hij is aangesteld, met alle ijver leren uitoefenen.'1
Soms is de vervulling van onze plicht, gehoor geven aan een goddelijke roeping of op een ingeving van de Geest reageren, niet al te moeilijk. Maar het komt ook voor dat het gehoor geven aan onze plicht gewoon angstaanjagend is. Ik heb zoiets ervaren in de dagen voor de Algemene Conferentie van april 1966. Dat is 35 jaar geleden, maar ik kan het me nog levendig herinneren.
Ik had de opdracht om tijdens een van de conferentiebijeenkomsten te spreken, en ik had een boodschap voorbereid en uit het hoofd geleerd, getiteld 'Uw Goliat ontmoeten'. Die was gebaseerd op het verhaal van het beroemde gevecht tussen David en Goliat in lang vervlogen tijden.
Toen kreeg ik een telefoontje van president David O. McKay. Het gesprek ging ongeveer als volgt: 'Broeder Monson, hier is president McKay. Hoe gaat het met u?'
Ik antwoordde: 'O, met mij gaat het goed, president, en ik kijk uit naar de conferentie.'
'Dat is waar ik over bel, broeder Monson. De bijeenkomst van zaterdagmorgen zal zondag nogmaals worden uitgezonden, als paasboodschap van ons aan de wereld. Ik zal over een onderwerp spreken dat bij Pasen past, en ik zou graag willen dat u datzelfde thema in die belangrijke bijeenkomst behandelt.'
'Natuurlijk, president. Dat zal ik graag doen.'
Toen begon de reikwijdte van dat korte gesprek pas goed tot me door te dringen. Opeens was 'Uw Goliat ontmoeten' niet zo geschikt als paasboodschap. Ik wist dat ik me helemaal opnieuw moest voorbereiden. Er was nog maar weinig tijd. Mijn 'Goliat' stond nu werkelijk voor me.
Die avond maakte ik de keukentafel leeg en zette mijn schrijfmachine op tafel, en een flinke stapel schrijfpapier, met naast me een behoorlijke prullenmand om alle valse starts op te vangen die zulke voorbereidingen begeleiden. Ik begon om 7 uur 's avonds en had om 1 uur 's nachts nog niet één regel geschreven waar ik tevreden over was. De prullenbak was vol, maar mijn geest beslist niet. Wat moest ik doen? De klok tikte door en niet zo zachtjes ook. Ik onderbrak mijn werk om te bidden.
Spoedig daarna dacht ik aan het verdriet van mijn buren, Mark en Wilma Shumway, om het verlies van hun jongste kind, kort geleden. Ik dacht bij mezelf:Misschien zou ik rechtstreeks tot hen kunnen spreken en daarbij tot alle anderen, want wie heeft niet iemand verloren die hem dierbaar is en reden gehad om te treuren?Mijn vingers haastten zich over het toetsenbord van de schrijfmachine, maar ze konden mijn gedachten nauwelijks bijhouden.
Toen het eerste flauwe morgenlicht door ons keukenraam viel, had ik mijn boodschap klaar. Nu restte nog de taak om hem uit het hoofd te leren en aan de wereld te brengen. Zelden heb ik zo geworsteld om aan een opdracht van de profeet te voldoen. Ik zal die ervaring nooit vergeten.
Twee monumentale schriftplaatsen kwamen in me op aan het einde van die conferentiebijeenkomst. U kent ze beide, broeders. Ze hebben geen uiterste geldigheidsdatum. Eeuwen geleden heeft Nephi gezegd: 'Ik zal heengaan en doen, wat de Here heeft bevolen, want ik weet, dat de Here geen geboden aan de kinderen der mensen geeft, zonder tevens de weg voor hen te bereiden, zodat zij zullen kunnen volbrengen, wat Hij hun gebiedt'.2
De tweede is deze belofte van de Heer zelf aan u en aan mij uit de Leer en Verbonden: 'Ik zal voor uw aangezicht uitgaan. Ik zal aan uw rechterhand en aan uw linkerhand zijn, en mijn Geest zal in uw hart zijn, en mijn engelen zullen rondom u zijn om u te bemoedigen.'3
Velen van ons die hier vanavond bij elkaar zijn dragen het Melchizedeks priesterschap, terwijl anderen het Aäronisch priesterschap dragen. Wij hebben allen de plechtige taak om het priesterschap te eren en hard te werken om vele dierbare zielen tot de Heer te brengen. We denken eraan dat Hij heeft gezegd: 'Gedenkt, dat de waarde van zielen groot is in Gods ogen.'4Doen we alles wat we behoren te doen? Herinneren we ons dan ook die woorden van president John Taylor: 'Als u uw roeping niet grootmaakt, zal God u verantwoordelijk stellen voor hen die u had kunnen redden als u uw plicht had gedaan.'5
Het verlangen om iemand anders te helpen, de zoektocht naar een verloren schaap, zal niet altijd onmiddellijk succes hebben. Soms is de vooruitgang langzaam zelfs onmerkbaar. Dat was ook de ervaring van Gill Warner, met wie ik al heel lang bevriend ben. Hij was pas als bisschop geroepen toen Douglas, een lid uit zijn wijk dat op zending was, een overtreding beging, waarna hem het lidmaatschap van de kerk werd ontnomen. Zijn vader was bedroefd; zijn moeder was totaal van de kaart. Douglas verhuisde kort daarna naar een andere staat. De jaren vlogen voorbij, maar bisschop Warner, die intussen hogeraadslid was, bleef zich afvragen wat er van Douglas geworden was.
In 1975 bezocht ik de ringconferentie van de ring van broeder Warner. Zondagmorgen vroeg hielden we een priesterschapsleidersvergadering. Ik sprak over het disciplinaire systeem van de kerk en dat het nodig was om ernstig en liefdevol te werken aan de redding van wie ook maar was afgedwaald. Gill Warner stak zijn hand op en schetste kort het verhaal van Douglas. Tenslotte stelde hij me een vraag: 'Behoort het nog steeds tot mijn taak om Douglas terug te brengen in de kerk?'
Gill herinnerde me er later aan dat ik zijn vraag direct en zonder aarzeling had beantwoord: Ik had gezegd: 'Aangezien je zijn vroegere bisschop bent en hem kende en van hem hield, zou ik denken dat je alles zal willen doen om hem terug te brengen.'
Zonder dat Gill Warner dat wist, had de moeder van Douglas de week daarvoor gevast en gebeden dat er iemand naar voren zou komen die haar zoon zou helpen redden. Gill hoorde dat toen hij, na de vergadering, het gevoel kreeg dat hij haar moest bellen om te vertellen dat hij had besloten hulp te bieden.
Gill begon zijn lange reis van verlossing. Hij nam contact op met Douglas. Ze haalden herinneringen op aan de gelukkige tijd van weleer. Hij gaf zijn getuigenis, betuigde zijn liefde en wekte langzaamaan vertrouwen. Het ging allemaal heel langzaam. Vaak raakte hij ontmoedigd, maar stap voor stap bleek Douglas vooruitgang te maken. Uiteindelijk werden zijn gebeden beantwoord, zijn pogingen beloond en de overwinning behaald. Douglas' doop werd goedgekeurd.
De doopdatum werd vastgesteld, de leden van het gezin kwamen bij elkaar en de vroegere bisschop Gill Warner vloog naar de stad waar Douglas woonde en verrichtte de verordening.
Door de liefde in zijn hart en met verantwoordelijkheidsgevoel voor een vroegere priester in het Aäronisch priesterschap het quorum dat hij presideerde was bisschop Warner 'uitgegaan om te redden', zodat er niet één verloren zou gaan.
Er kunnen er nog wel meer zijn, maar ik heb zelf drie bisschoppen gekend die, toen ze hun wijk presideerden, een priestersquorum van 48 of meer jongemannen hadden met andere woorden: een volledig priestersquorum volgens de definitie in de Schriften. Die drie bisschoppen waren Alvin R. Dyer, Joseph B. Wirthlin en Alfred B. Smith. Lieten zij zich door hun taak van de wijs brengen? Helemaal niet. Door hun ijverige inzet en met hulp van liefhebbende ouders en de zegeningen van de Heer, leidden die bisschoppen elk lid van hun priestersquorum vrijwel zonder uitzondering tot de ordening tot ouderling in het Melchizedeks priesterschap, een zending en een huwelijk in de tempel des Heren. Nu zijn broeder Dyer en broeder Smith hun eeuwige rust ingegaan, maar ouderling Joseph B. Wirthlin, lid van het Quorum der Twaalf Apostelen, is vanavond hier. Ouderling Wirthlin, uw dienstbetoon en leiding aan deze jongemannen, die intussen ouder zijn geworden, zullen we nooit vergeten.
Als jongen van twaalf was ik secretaris van mijn diakenenquorum. Ik denk met plezier terug aan de vele opdrachten die wij als leden van dat quorum hebben mogen uitvoeren. Ik denk dan meteen aan het avondmaal ronddienen, de maandelijkse vastengaven inzamelen en voor elkaar zorgen. Maar er gebeurde iets vreselijks bij de leidersvergadering van onze wijkconferentie. Die werd gepresideerd door William F. Perschon, lid van ons ringpresidium. Hij riep een aantal wijkfunctionarissen naar voren om te spreken. Toen stond president Perschon zonder enige waarschuwing op en zei: 'We zullen nu horen van Thomas S. Monson, secretaris van het diakenenquorum, die ons verslag zal doen van zijn werk en zijn getuigenis zal geven.' Ik kan me niets meer herinneren van wat ik heb gezegd, maar ik ben die ervaring nooit vergeten.
Broeders, denk altijd aan de vermaning van de apostel Petrus: '[Wees] altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is'.6
Tijdens de Tweede Wereldoorlog had ik het voorrecht om president van het lerarenquorum te zijn. Men vroeg mij de raad uit Leer en Verbonden 107:86 uit het hoofd te leren en vervolgens toe te passen: 'En zo is het de plicht van de president over het ambt van leraar om [de] leraars te presideren, met hen in raadsvergadering bijeen te komen, en hun de plichten van hun ambt te onderwijzen, zoals de verbonden dit aangeven.' Ik heb mijn best gedaan om naar die opdracht te leven.
In dat quorum was een jongeman, Fritz Hoerold. Hij was klein van gestalte maar groot in moed. Kort nadat Fritz 17 was geworden, gaf hij zich op voor de marine van de Verenigde Staten en ging hij naar de opleiding. Hij kwam op een groot oorlogsschip in een aantal van die bloedige gevechten op de Stille Oceaan terecht. Het schip liep zware schade op en veel opvarenden werden gedood of gewond.
Fritz keerde na zo'n gevecht naar huis terug en kwam weer in ons lerarenquorum. De adviseur van het quorum vroeg hem ons toe te spreken. Hij zag er schitterend uit in zijn blauwe uniform met oorlogsonderscheidingen. Ik weet nog dat ik Fritz vroeg of hij een goede raad voor ons had. We waren per slot van rekening van dezelfde leeftijd. Met een zure glimlach antwoordde hij: 'Geef je nooit als vrijwilliger op!'
Ik heb Fritz vanaf die tijd niet meer gezien tot ik, enkele jaren geleden, een artikel in een tijdschrift las over diezelfde zeegevechten. Ik vroeg me af of Fritz Hoerold nog zou leven, en zo ja, of hij ergens in Salt Lake City woonde. Via een telefoontje vond ik hem, en ik stuurde hem het tijdschrift. Hij en zijn vrouw bedankten me. Aangezien ik erachter was gekomen dat Fritz nog niet tot ouderling was geordend en dus nog nooit naar de tempel was geweest, schreef ik hem een brief om hem aan te moedigen zich klaar te maken voor de zegeningen van de tempel. Tweemaal zagen we elkaar toevallig bij een restaurant. Zijn lieve echtgenote, Joyce, spoorde me telkens aan: 'Blijf aan die man van mij werken.' Zijn dochters zeiden dat ze het met de aansporing van hun moeder eens waren. Ik ging door met aanmoedigen.
Een paar weken geleden zag ik bij de familieberichten in de krant dat Joyce, de vrouw van Fritz, was overleden. Wat wenste ik dat ik meer succes had gehad met mijn privé-project om Fritz naar de tempel te krijgen. Ik noteerde de tijd en plaats van de begrafenisdienst van zuster Hoerold, verzette andere afspraken en ging naar de dienst. Beiden lieten we wel wat tranen. Hij vroeg mij om als laatste te spreken.
Toen ik opstond om te spreken, keek ik Fritz en zijn gezin aan en zei: 'Fritz, ik ben hier vandaag als president van het lerarenquorum waar jij en ik eens lid van waren.' Ik hield hem voor hoe hij en zijn gezin een 'eeuwig gezin' konden worden door de tempelverordeningen verordeningen waarin ik beloofde te officiëren wanneer het zover zou zijn.
Terwijl ik tranen van emotie onderdrukte besloot ik mijn woorden door tegen Fritz te zeggen, terwijl zijn gezin en alle aanwezigen het konden horen en zien: 'Fritz, mijn goede vriend en medematroos, jij hebt moed, jij bent vastbesloten. Je hebt je leven voor je land in de waagschaal gesteld in een tijd van gevaar. Fritz, nu moet je naar de fluit van de bootsman luisteren: "Allemaal aan boord anker lichten voor je reis naar de verhoging." Joyce wacht daarginds op jou. Ik weet dat jouw lieve kinderen en kleinkinderen voor je bidden. Fritz, als president van je lerarenquorum van lang geleden zal ik me er met hart en ziel voor inzetten om er zeker van te zijn dat je de boot niet mist die jou en je geliefden naar celestiale heerlijkheid zal brengen.'
Ik gaf hem de marinegroet. Fritz stond op en salueerde terug.
Broeders, moge eenieder van ons gehoor geven aan dat makkelijk te onthouden versje: 'Doe je plicht, dat kun je best. Dan zorgt de Heer wel voor de rest.' Dat bid ik in de naam van Jezus Christus. Amen.
NOTEN
1. LV 107:99.
2. 1 Nephi 3:7.
3. LV 84:88.
4. LV 18:10.
5. Deseret News Semiweekly,6 augustus 1878, blz. 1.
6. 1 Petrus 3:15.