President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium
'Mogen wij zó leven dat wij, als we ontboden worden, niets ernstig hoeven te betreuren, niets onafgemaakt hebben gelaten.'
Nu ik voor u sta, moet ik denken aan de tijd dat ik jong was en we in de zondagsschool vaak zongen:
Welkom, welkom, sabbatmorgen,
ruk ons uit der zorgen net.
Welkom, welkom, is uw daglicht,
heil'ge sabbat van gebed.
1
Op deze sabbatmorgen bid ik dat ik het onderwerp mag zijn van uw geloof en gebeden als ik tot u spreek.
Wij hebben allen de dramatische gevolgen gevoeld van de tragische gebeurtenissen op die noodlottige dag, 11 september 2001. Zonder enige waarschuwing zaaide een verschrikkelijke vernietiging dood en verderf en doofde zij het leven uit van enorme aantallen mannen, vrouwen en kinderen. Zorgvuldig gemaakte plannen voor een prettige toekomst gingen in rook op. Ze maakten plaats voor tranen van verdriet en uitroepen van zielsleed.
We hebben de afgelopen drie en een halve week talloze verslagen gehoord over hen die op de een of andere manier direct of indirect door de gebeurtenissen van die dag geraakt zijn. Ik wil u graag vertellen wat een kerklid, Rebecca Sindar, die op dinsdagochtend 11 september aan boord was van een vlucht van Salt Lake City naar Dallas, gezegd heeft. Zoals alle vluchten die op het moment van de tragische voorvallen in de lucht waren, werd die vlucht onderbroken, en het vliegtuig werd aan de grond gezet in Amarillo (Texas). Zuster Sindar vertelt: 'We verlieten allemaal het vliegtuig, zochten een tv op de luchthaven en dromden eromheen om te zien wat er was gebeurd. Mensen stonden in de rij om dierbaren te bellen en hen te verzekeren dat ze zich veilig op de grond bevonden. Ik zal me altijd de ongeveer twaalf zendelingen herinneren die met onze vlucht op weg waren naar hun zendingsgebied. Ze pleegden telefoontjes, en toen zag ik ze in een hoek van de luchthaven samendrommen en knielen voor een gebed. Ik wilde dat ik dat moment had kunnen vastleggen om te laten zien aan de moeders en vaders van die lieve jongemannen die de noodzaak zagen om meteen te bidden.'
Broeders en zusters, uiteindelijk overvalt de dood ieder mens. Hij overvalt mensen op leeftijd die wankelen op hun benen. Zijn ontbieding wordt gehoord door hen die nog maar nauwelijks halverwege de reis door het leven zijn, en vaak stilt het zelfs het gelach van kleine kinderen. De dood is het feit dat niemand kan ontvluchten of ontkennen.
Vaak komt de dood als een indringer. Hij is een vijand die plotseling verschijnt, middenin het feest van het leven, die de lichten dooft en de vrolijkheid dempt. De dood legt zijn zware hand op hen die ons dierbaar zijn, en vaak laat hij ons verbijsterd en verwonderd achter. In bepaalde situaties, zoals bij zwaar lijden en ziekte, komt de dood als een engel van genade. Maar over het algemeen zien we hem als de vijand van het menselijk geluk.
De duisternis van de dood kan echter verdreven worden door het licht van de geopenbaarde waarheid. 'Ik ben de opstanding en het leven', heeft de Meester gezegd. 'Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft, en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.'2
Die zekerheid ja, die heilige bevestiging van het leven na de dood, zou heel goed de vrede kunnen verschaffen die de Heiland beloofde toen Hij zijn discipelen verzekerde: 'Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd of versaagd.'3
Uit het duister en de gruwel van Golgota kwam de stem van het Lam: 'Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.'4En het donker was niet meer duister, want Hij was bij zijn Vader. Hij was van God gekomen, en naar Hem was Hij teruggekeerd. Ook zij die op deze aardse pelgrimsreis wandelen met God, weten uit eigen zalige ervaring dat Hij zijn kinderen die op Hem vertrouwen niet in de steek zal laten. In de nacht van de dood, is zijn aanwezigheid 'beter dan een licht en veiliger dan een bekende weg.'5
Saulus had op de weg naar Damascus een visioen van de herrezen, verhoogde Christus. Later gaf hij als Paulus, voorvechter van de waarheid en onbevreesde zendeling in dienst van de Meester, getuigenis van de herrezen Heer toen hij tegen de heiligen te Korinte zei: 'Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften;
'(. . .) Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften.
'(. . .) Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven.
'Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk. (. . .)
'Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen.
'Maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen.'6
In onze bedeling is ditzelfde getuigenis ook stoutmoedig door de profeet Joseph Smith gegeven, toen Sidney Rigdon en hij getuigden:
'En nu, na de vele getuigenissen, die van Hem zijn gegeven, is dit het getuigenis, het allerlaatste, dat wij van hem geven: Dat Hij leeft!
'Want wij zagen Hem, namelijk ter rechterhand Gods; en wij hoorden de stem, die getuigenis gaf, dat Hij de Eniggeborene des Vaders is dat door Hem, en in Hem, en uit Hem de werelden worden en werden geschapen, en dat de bewoners er van Gode gewonnen zonen en dochteren zijn.'7
Dit is de kennis die steun geeft. Dit is de waarheid die troost geeft. Dit is de zekerheid die hen die gebukt gaan onder rouw uit de schaduw in het licht brengt. Het staat allen ter beschikking.
Hoe kwetsbaar is het leven, hoe zeker is de dood. Wij weten niet wanneer wij dit sterfelijk bestaan moeten verlaten. En daarom vraag ik: 'Wat doen wij met de dag van vandaag?' Als wij alleen voor morgen leven, dan zullen we veel lege gisterens hebben. Hebben wij ons schuldig gemaakt aan de uitspraak: 'Ik heb erover gedacht wat koerswijzigingen in mijn leven aan te brengen. Ik ben van plan de eerste stap te doen en ik begin morgen.'? Als we zó denken, blijft morgen altijd in het verschiet. Een dergelijk 'morgen' komt zelden als we er niet vandaag al iets aan doen. Zoals we leren uit de bekende lofzang:
Er is kans om te werken, waarheen gij ook blikt,
Ja, gelegenheid vindt g'overal.
Als er iets moet gedaan, pakt het dadelijk aan,
Zegt niet, 'k zal het doen bij geval.8
Laten we onszelf de vragen stellen: 'Heb ik heden iets goeds in de wereld gedaan? Mij waar nood was ter hulpe gegord?' Wat een formule voor geluk! Wat een recept voor tevredenheid, voor gemoedsrust om dankbaarheid te hebben opgewekt bij een ander mens.
Wij hebben onbeperkte kansen om van onszelf te geven, maar het zijn wel kansen die voorbijgaan. We kunnen harten verlichten. Vriendelijke woorden spreken. Geschenken geven. Goede daden verrichten. Zielen redden.
Als we onthouden dat 'wanneer gij in de dienst van uw naasten zijt, gij louter in de dienst van uw God zijt'9, dan komen we niet in de niet zo benijdenswaardige positie terecht van de geest van Jacob Marley, die in de onsterfelijkeA Christmas Carolvan Dickens tot Ebenezer Scrooge sprak. Marley sprak op droeve toon over kansen die voorbijgegaan waren. Hij zei: 'Niet te weten dat elke christelijke geest, die goede daden verricht in zijn eigen kleine kringetje, wat dat ook moge zijn, zijn sterfelijke leven te kort vindt voor zijn oneindige nut. Niet te weten dat geen enkele mate van spijt ook maar iets kan goedmaken van de misbruikte kansen uit zijn leven!
Maar toch, zo was ik. O, zo was ik!'
Marley voegde daar nog aan toe: 'Waarom liep ik door menigten medemensen met mijn ogen neergeslagen, en keek ik nooit op naar die gezegende ster die wijzen naar een eenvoudig onderkomen leidde? Waren er dan geen armenhuizen waarnaar het licht ervanmijzou hebben geleid?'
Gelukkig veranderde Ebenezer Scrooge, zoals wij weten, zijn leven ten goede. Ik vind deze zin mooi: 'Ik ben niet meer de mens die ik was.'10
Waarom is dat verhaal,A Christmas Carol, zo populair? Waarom is het tijdloos? Ik heb persoonlijk het gevoel dat het door God geïnspireerd is. Het brengt het beste in de menselijke aard naar boven. Het geeft hoop. Het zet aan tot verandering. Wij kunnen de paden verlaten die ons naar beneden zouden leiden en kunnen, met een lied in ons hart, een ster volgen en naar het licht toelopen. We kunnen onze pas versnellen, moed vatten en ons koesteren in het zonlicht van waarheid. We kunnen het gelach van kleine kinderen duidelijker horen. We kunnen de tranen drogen van hen die huilen. We kunnen de stervenden troosten door hen over de belofte van het eeuwige leven te vertellen. Als we een vermoeide hand opheffen die neerhangt, als we gemoedsrust geven aan een ziel die het moeilijk heeft, als we geven zoals de Meester gedaan heeft, dan kunnen wij door anderen de weg te wijzen een ster worden die een gids is voor de een of andere verdwaalde zeeman.
Omdat het leven kwetsbaar en de dood onvermijdelijk is, moeten we het beste maken van elke dag.
Er zijn veel manieren waarop we onze kansen kunnen misbruiken. Enige tijd geleden las ik een ontroerend verhaal, geschreven door Louise Dickinson Rich, dat deze waarheid levendig illustreert. Zij schreef:
'Mijn oma had een vijand, mevrouw Wilcox. Oma en mevrouw Wilcox kwamen als bruid naast elkaar te wonen in de hoofdstraat van een klein dorpje, en daar zouden ze de rest van hun leven slijten. Ik weet niet hoe de strijd tussen hen begonnen is en ik geloof dat ze het zich tegen de tijd dat ik kwam, meer dan dertig jaar later, zelf ook niet meer herinnerden wat de aanleiding was. Het was geen beleefd dispuut; het was volslagen oorlog. (. . .)
'Niets in het dorp ontkwam aan de gevolgen. De driehonderd jaar oude kerk, die de revolutie, de burgeroorlog en de Mexicaanse oorlog had doorstaan, bezweek bijna toen oma en mevrouw Wilcox de Slag om de vrouwenhulp streden. Oma won de benoeming, maar het was een zinloze overwinning omdat mevrouw Wilcox, daar ze geen voorzitster kon zijn, meteen aftrad. Wat is er zo leuk aan iets leiden als je je vijand niet kunt dwingen in het stof te kruipen? Mevrouw Wilcox won de Slag om de openbare bibliotheek door haar nicht, Gertrude, als bibliothecaresse te laten aanstellen in plaats van tante Phyllis. De dag dat Gertrude begon, was de dag dat oma ophield bibliotheekboeken te lezen. Die waren plotseling 'vieze dingen vol bacteriën' geworden. De Slag om de middelbare school was een gelijkspel. Het hoofd kreeg een betere baan en vertrok voordat mevrouw Wilcox erin slaagde hem te laten ontslaan of oma erin slaagde hem een aanstelling voor het leven te bezorgen.
'Als wij als kinderen mijn grootmoeder bezochten, dan hoorde het gezichten trekken naar de kleinkinderen van mevrouw Wilcox bij de pret. Op een gedenkwaardige dag deden wij een slang in de regenton van mevrouw Wilcox. Mijn grootmoeder liet wat zwakke protesten horen, maar we voelden haar stilzwijgende sympathie.
'Denk niet dat dit een eenzijdige campagne was. Mevrouw Wilcox had ook kleinkinderen. Oma kwam er niet zonder kleerscheuren vanaf. Er ging geen winderige dag voorbij dat de waslijn niet op mysterieuze wijze brak, waardoor de kleren in de viezigheid vielen.
'Ik weet niet hoe oma haar moeilijkheden zo lang had kunnen verdragen als er niet de huishoudpagina van haar dagblad uit Boston was geweest. Die huishoudpagina was geweldig. Naast de gebruikelijke kooktips en schoonmaakadviezen, was er een rubriek die bestond uit brieven van lezers aan elkaar. De bedoeling was dat je, als je een probleem had of zelfs als je alleen maar stoom wilde afblazen een brief schreef naar de krant met een fantasienaam zoals Arbutus. Dat was oma's schuilnaam. Dan schreven enkele andere dames met hetzelfde probleem terug en vertelden wat zij eraan hadden gedaan, en zij ondertekenden met namen zoals Iemand die het weet, of Xantippe of zoiets. Vaak bleef je, lang nadat het probleem uit de weg was geruimd, nog jaren via de krant naar elkaar schrijven, elkaar vertellend over je kinderen, je inmaakactiviteiten en je nieuwe eetkamerameublement. En zo ging het met oma ook. Zij en een vrouw die Zeemeeuw heette, correspondeerden een kwart eeuw met elkaar. Zeemeeuw was oma's ware vriendin.
'Toen ik ongeveer zestien was, overleed mevrouw Wilcox. In een klein dorpje is het, ongeacht hoezeer je je buurvrouw haatte, niet meer dan fatsoenlijk om naar het huis van de overledene te gaan en te kijken wat je kunt doen voor de nabestaanden. Oma trok een katoenen schort aan om te laten zien dat ze het meende toen ze zei dat ze verwachtte aan het werk gezet te worden, stak het grasveld over naar het huis van mevrouw Wilcox, waar de dochters van mevrouw Wilcox haar de reeds smetteloos schone voorkamer lieten schoonmaken voor de begrafenis. En daar, op de tafel in de voorkamer lag op een ereplekje een enorm plakboek. In dat plakboek zaten in nette kolommen naast elkaar de brieven die oma in de loop der jaren aan Zeemeeuw had gestuurd, en de brieven van Zeemeeuw aan haar. Geen van de vrouwen had ooit geweten dat oma's grootste vijand tevens haar beste vriendin was. Dat was de enige keer die ik me herinneren kan dat ik mijn oma heb zien huilen. Ik wist toen niet waar ze precies om huilde, maar nu wel. Ze huilde om al die verspilde jaren die reddeloos verloren waren.'
Broeders en zusters, mogen wij van deze dag af aan ons hart met liefde vullen. Mogen wij de tweede mijl gaan om allen in ons leven toe te laten die eenzaam of terneergeslagen zijn, of die op de een of andere manier lijden. Mogen wij 'vreugde [hebben] gesticht, iemands lijden verlicht.'11Mogen wij zó leven dat wij, als we ontboden worden, niets ernstig hoeven te betreuren, niets onafgemaakt hebben gelaten, maar met de woorden van de apostel Paulus kunnen zeggen: 'Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden.'12In de naam van Jezus Christus. Amen.
NOTEN
1. Robert B. Baird, 'Welkom, welkom, sabbatmorgen',Heilige lofzangen, nr. 23.
2. Johannes 11:2526.
3. Johannes 4:27.
4. Lucas 23:46.
5. Minnie Louise Haskins, 'The Gate of the Year',Masterpieces of Religious Verse,onder redactie van James Dalton Morrison (1948), blz. 92.
6. 1 Korintiërs 15:38.
7. LV 76:2224.
8. Will L. Thompson, 'Heb ik heden iets goeds in de wereld gedaan?',Heilige lofzangen,nr. 193.
9. Mosiah 2:17.
10. Works of Charles Dickens(1982), blz. 543, 581.
11. 'Heb ik heden iets goeds in de wereld gedaan?',Heilige lofzangen,nr. 193.
12. 2 Timoteüs 4:7.