Ouderling Alexander B. Morrison
van de Zeventig
Het symbool van Jezus en zijn plek in ons hart moet een leven zijn dat geheel is gewijd aan de dienst aan Hem, aan liefde en zorg geven.
Toen Jezus voor Pilatus gebracht was, na een duistere nacht vol haat, belediging en mishandeling, kwam de Romeinse stadhouder er al snel achter dat dit geen gewoon mens was. Jezus gaf geen enkel blijk van de gebruikelijke onderworpenheid of valse bravoure die zo kenmerkend waren voor hen die om hun leven smeekten bij het machtige keizerlijke Rome. Hij stond rustig voor de trotse Romein, ongebogen, majestueus, met een milde maar vorstelijke houding. 'Zijt Gij dus toch een koning?' informeerde Pilatus (Johannes 18:37).
Jezus, de Koning der koningen, wiens Vader op zijn verzoek 'meer dan twaalf legioenen engelen' ter beschikking gesteld zou hebben (Matteüs 26:53), wiens heerlijkheid en majesteit alles te boven gingen wat Pilatus -- of elke andere sterveling -- zelfs maar had kunnen begrijpen, antwoordde eenvoudig: 'Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen' (Johannes 18:37). Pilatus, een zwakke, weifelende man, zonder enige integriteit en niet al te zwaar belast met principes, reageerde cynisch: 'Wat is waarheid?' (Johannes 18:38.) Toen, hoewel hij geen schuld in Jezus vond en zeker wist dat hij geen politieke oproerkraaier was, noch een gevaar voor de macht en het gezag van Rome, gaf Pilatus toe aan de bloeddorst van de menigte en leverde Christus over aan zijn kruisigers.
'Hiertoe ben Ik in de wereld gekomen.' Wat was die reden? Waarom stemde Jezus, de almachtige Here God, die aan de rechterhand van de Vader zit, Schepper van werelden zonder tal, Wetgever en Rechter, erin toe om naar de aarde te gaan om geboren te worden in een kribbe, het grootste deel van zijn sterfelijk bestaan door te brengen in onbekendheid, de stoffige wegen van Judea te bewandelen, een boodschap verkondigend die ernstig werd aangevallen door velen, om uiteindelijk, na verraden te worden door een van zijn naaste metgezellen, te sterven tussen twee misdadigers in, op de sombere heuvel Golgota? Nephi, die roemde in 'Jezus, want Hij heeft mijn ziel uit de hel verlost' (2 Nephi 33:6) begreep de motivatie van Christus: 'Hij doet niets, of het moet voor het welzijn der wereld zijn; want Hij heeft de wereld lief, zo lief zelfs, dat Hij zijn eigen leven aflegt, opdat Hij alle mensen tot Zich moge trekken' (2 Nephi 26:24). Het was liefde voor al Gods kinderen die Jezus, die uniek was in zijn zondeloze volmaking, ertoe bracht om zichzelf op te offeren als losprijs voor de zonden van anderen. Met de woorden van de geliefde lofzang: 'Was Jezus die zijn leven gaf en ons verloste van het graf' (lofzang 119). Dat was het hoogste doel waarvoor Jezus naar de aarde kwam en 'leed en stierf voor 's mensen heil'. Hij kwam 'als ( . . . ) een onberispelijk en vlekkeloos lam' (1 Petrus 1:19) om voor onze zonden verzoening te brengen, opdat Hij, die aan het kruis verheven werd, alle mensen tot zich mocht trekken (zie 3 Nephi 27:14). Of zoals Paulus het vol vreugde zei: '( . . . ) evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden' (1 Korintiërs 15:22).
Het symbool van zijn overwinning van de dood is het lege graf. Hij die 'God ten derden dage [heeft] opgewekt' verbrak de 'banden van deze ( . . . ) tijdelijke dood, zodat allen uit deze tijdelijke dood zullen worden opgewekt' (Alma 11:42, cursivering toegevoegd) en behaalde 'de overwinning over het graf' (Mormon 7:5). In Hem is 'de prikkel des doods [ . . . ] vernietigd' (Mosiah 16:8).
Toch kwam Jezus niet alleen om de onsterfelijkheid te brengen, maar ook om de kinderen van onze hemelse Vader het eeuwig leven te bieden. Christus geeft allen door de verzoening een algemene opstanding, ongeacht of men dat verdiend heeft, maar de gave van het eeuwig leven -- wonen bij de Vader en de Zoon, in hun vervolmaakte aanwezigheid -- is alleen voor de getrouwen, voor hen die hun liefde voor Christus tonen door hun bereidheid om zijn geboden te onderhouden en heilige verbonden te sluiten en na te komen. 'Wie mijn geboden heeft, en ze bewaart,' herinnerde Jezus ons, 'die is het, die Mij liefheeft' (Johannes 14:21). Zoals de profeten in de loop der eeuwen gezegd hebben, kunnen wij alleen door het sluiten en nakomen van heilige verbonden -- die heilige, celestiale overeenkomsten tussen God en de mens -- 'deel ( . . . ) hebben aan de goddelijke natuur' en 'ontkomen aan het verderf, dat ( . . . ) in de wereld heerst' (2 Petrus 1:4).
Jezus kwam naar de aarde vooral en voornamelijk als de Heiland die verzoening bracht, die stierf opdat allen 'vrede in deze wereld en het eeuwige leven in de komende wereld' mochten ontvangen (LV 59:23). Toch kwam Hij ook nog met een ander doel: om allen tot voorbeeld te zijn van het goddelijk potentieel van de mens, de norm waarnaar allen hun leven moeten afmeten. Hij die zijn goddelijkheid verkondigde aan de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob (zie Johannes 4) roept ons om te worden 'zoals Ik ben' (3 Nephi 27:27), volmaakt te worden 'gelijk Ik, of uw Vader, die in de hemel is, volmaakt is' (3 Nephi 12:48). Hij is de verpersoonlijking van liefde, en al wat Hij doet, komt voort uit liefde. Uit de diepten van die liefde roept Hij ons op om te zorgen voor de zieken, de armen, de bezochten; te bidden voor, en mededogen te betonen aan, al Gods kinderen, want er is bij 'God geen aanneming des persoons' (zie Handelingen 10:34). Voor Hem zijn er geen barrières op het gebied van ras, geslacht of taal. Zoals Nephi heeft uitgelegd: 'Hij zendt niemand heen, die tot Hem komt, hetzij zwarte of blanke, dienstknecht of vrije, man of vrouw; en de heiden is Hij indachtig; en allen ( . . . ) zijn gelijk voor God' (2 Nephi 26:33).
Voor hen onder ons die zich afvragen wie zijn naaste is, sprak Hij over de barmhartige Samaritaan; over de herder die de negenennegentig schapen achterliet om het verloren schaap te zoeken; en over de man die een 'grote maaltijd' aanrichtte, waarvoor 'de bedelaars en misvormden en blinden en lammen' werden uitgenodigd (Lucas 14:16, 21).
Jezus, de Meesterleraar, leerde de mensen herhaaldelijk eeuwige waarheden die Hij ontleende aan ervaringen die iedereen heeft. Een van die lessen gaat over de noodzaak om gul te zijn met geven -- om te geven met een geest van opofferingsgezindheid en een vrome bedoeling om mensen die het minder getroffen hebben dan wijzelf tot zegen te zijn. Lucas beschrijft dat Jezus, toen Hij in de tempel zat, naar de mensen keek die hun bijdragen in de schatkisten wierpen. Sommigen gaven hun bijdrage met een vrome en oprechte bedoeling, maar anderen, hoewel zij grote sommen in goud en zilver gaven, deden het vooral opvallend, vooral om door de anderen gezien te worden.
In de lange rij gevers was een arme weduwe, die alles wat zij had in de schatkist wierp: twee bronzen muntjes, bekend als een penning. Samen waren ze nog geen halve Amerikaanse cent. Jezus zag het verschil tussen wat zij gaf en de veel grotere bijdragen van sommige anderen, en verklaarde: 'Waarlijk, ( . . . ) deze arme weduwe heeft meer dan allen daarin geworpen.' Hoewel de rijken van hun overvloed hadden gegeven, 'zij heeft van haar armoede haar ganse levensonderhoud erin geworpen' (Lucas 21:14). Het gaat er niet om hoeveel wij geven. In de berekening van de hemel wordt waarde niet vastgesteld aan de hand van kwantiteit, maar aan de hand van kwaliteit. Het is de bedoeling van de bereidwillige geest die aanvaardbaar is voor God (zie 2 Korintiërs 8:12).
Jezus had bijzondere liefde voor kinderen. Zowel in de oude als de nieuwe wereld liet Hij ze tot Zich komen (zie Lucas 18:16; 3 Nephi 17:2124). In het Nephitische verslag wordt op ontroerende wijze getuigd van de liefde die Christus voor de kleintjes had: 'Hij nam hun kinderen één voor één, en zegende hen, en bad voor hen tot de Vader.
En toen Hij dit had gedaan, weende Hij' (3 Nephi 17:2122). Jezus wist dat kleine kinderen rein en zonder zonde zijn. '( . . . ) wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen,' zei Hij, 'zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan' (Matteüs 18:3). Koning Benjamin, de grote Nephitische profeet, legde uit wat het inhoudt te worden als een klein kind: 'onderworpen, zachtmoedig, nederig, geduldig, vol liefde, gewillig zich aan alles te onderwerpen, wat de Here geschikt acht hem op te leggen' (Mosiah 3:19).
In een wereld waarin wij dagelijks geconfronteerd worden met gedetailleerde voorbeelden van zoveel onverschilligheid jegens de minder fortuinlijken, heeft Jezus gesproken over de noodzaak om vlees te geven aan de hongerige, te drinken te geven aan de dorstige, onderdak aan de vreemdeling, kleding aan de naakte, en de zieken en gevangenen te bezoeken.
In een van de zwaarste proeven van het christelijk discipelschap, riep Hij allen op: 'Hebt uw vijanden lief, [zegen hen die u vervloeken, doet goed aan hen die u haten] en bidt voor wie u vervolgen' (zie Matteüs 5:44). Hij herinnerde ons eraan dat voor zover wij anderen vol naastenliefde behandelen, zelfs hen die door sommigen als de 'minste' beschouwd worden, 'gij het Mij gedaan [hebt]' (zie Matteüs 25:3545). Hij leerde ons niet alleen onze plichten om elkaar in materieel opzicht te helpen, maar ook de krachtige, eeuwige, geestelijke gevolgen daarvan. Ja, al zijn geboden blijken uiteindelijk bij analyse geestelijk te zijn, en niet alleen maar materieel. Daarom leren wij uit de Schriften: 'betreffende het van dag tot dag behouden van een vergeving van [onze] zonden, opdat [wij] schuldeloos voor God [mogen] wandelen, [wij] van [onze] goederen aan de armen [moeten] mededelen, een ieder mens naar hetgeen hij heeft' (Mosiah 4:26).
Dan is de eindconclusie dat wij onze toewijding aan Christus tonen, en ons discipelschap het beste tot uiting laten komen, door de wijze waarop wij leven en Hem dienen. Het symbool van Jezus en zijn plek in ons hart moet een leven zijn dat geheel is gewijd aan de dienst aan Hem, aan liefde en zorg geven; aan een volledige toewijding aan Christus en zijn zaak; aan een geestelijke wedergeboorte die een 'machtige verandering' teweegbrengt in ons hart en ons voorbereidt om 'zijn beeld in [ons] gelaat [te] ontvangen' (Alma 5:1314). Zijn naam op ons te nemen, betekent bereidheid om te doen wat Hij van ons vraagt. Iemand heeft eens gezegd dat de prijs van een christelijk leven nog steeds dezelfde is als hij altijd geweest is: eenvoudig alles geven wat we hebben, en niets achterhouden, 'al [onze] zonden nalaten om [Hem] te kennen' (Alma 22:18). Als wij die norm niet halen door luiheid, onverschilligheid of goddeloosheid, als wij slecht of gemeen, zelfzuchtig, zinnelijk of oppervlakkig zijn, dan kruisigen wij Hem in zekere zin opnieuw. En als wij consequent ons uiterste best doen, als wij om anderen geven en hen dienen, als wij onze zelfzucht door liefde overwinnen; als wij het welzijn van anderen voor laten gaan boven het onze, als wij elkaars lasten dragen, en 'met de treurenden ( . . . ) treuren', als wij 'hen ( . . . ) vertroosten die vertroosting nodig hebben, en ( . . . ) te allen tijde als getuige van God ( . . . ) staan' (Mosiah 18:89), dan eren wij Hem, ontlenen wij macht aan Hem, en gaan wij steeds meer op Hem lijken, neemt ons 'licht ( . . . ) toe in helderheid', als wij volharden, 'tot de volle dag' (LV 50:24).
De stem kan niet vertellen, noch kan de tong verkondigen wat het onbeschrijflijke voorbeeld van Christus volledig inhield. Met de woorden van Johannes de geliefde: 'Er zijn echter nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft; indien deze één voor één beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten' (Johannes 21:25).
Ik besluit waarmee ik begonnen ben, met Christus' majestueuze woorden tegen Pilatus: 'Hiertoe ben Ik in de wereld gekomen'. Hoe dankbaar moeten wij allemaal niet zijn dat Hij gekomen is, twee millenniums geleden, om verzoening te brengen voor onze zonden en een voorbeeld te geven voor ons leven. Wij verkondigen die waarheid der waarheden in alle stoutmoedigheid aan de wereld. Ik getuig tot u dat Hij spoedig zal wederkomen, als Koning der koningen en Heer der heren, en gerechtigheid herstelt om zijn volk te verlossen (zie lofzang 36).
In de naam van Jezus Christus. Amen.