Ouderling Robert S. Wood
van de Zeventig
Wat we zeggen en hoe we onszelf presenteren, verraadt niet alleen ons innerlijk, maar ook vormt het ons, degenen om ons heen, en uiteindelijk onze hele samenleving.
Om het belang van een aantal gewichtiger zaken van het koninkrijk in contrast te plaatsen met de voedselvoorschriften van het oude Israël, heeft Jezus tegen zijn discipelen gezegd: 'Niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt de mens onrein.
'( . . . ) Wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein.' (Matteüs 15:11, 1819). Onze woorden en onze uitingen zijn niet neutraal, want ze weerspiegelen wie we zijn en ook wie we worden.
In de laatste dagen heeft de Heer nog eens benadrukt hoe onze 'uiterlijke verrichtingen' (Alma 25:15) zoals in het Boek van Mormon staat, verontreinigen of opbouwen. Door wat we zeggen en hoe we handelen zal een sfeer geschapen worden die de Heilige Geest toegang verschaft of Hem vijandig is. In afdeling 88 van de Leer en Verbonden raadt de Heer ons aan om 'lichtzinnig gepraat' en 'buitensporig gelach' te vermijden. Hij bracht dergelijke uitingen in verband met mankementen van het hart -- 'wellustige verlangens', 'trots' en 'lichtzinnigheid' -- die uiteindelijk uitmonden in 'goddeloze daden' (LV 88:69, 121). Ik heb begrepen dat met 'lichtzinnig gepraat' oneerbiedige en verlagende taal bedoeld wordt en dat met 'lichtzinnigheid' bedoeld wordt wat de Heer oneerbiedig omgaan met heilige zaken genoemd heeft (LV 6:12).
Aan de andere kant heeft de Heer gevraagd om 'een blijmoedig hart en gelaat' (LV 59:15). Hij heeft ons gevraagd om dusdanig te spreken en te handelen dat we elkaar opbouwen en Hij heeft aangegeven: 'Hetgeen niet opbouwt, is niet van God, doch is duisternis' (LV 50:23). In Winter Quarters, tijdens een moeilijke uittocht van de heiligen, heeft de Heer geboden: 'Laat uw woorden ertoe strekken elkander op te bouwen' (LV 136:24). Nephi heeft gezegd dat we, als we de Heilige Geest ontvangen hebben en luisteren naar zijn influisteringen, 'de taal der engelen' kunnen spreken (2 Nephi 32:23). Op die manier scheppen we een geest van eerbied en openbaring.
Onlangs hoorde ik een gesprek tussen een paar van onze jonge kleinkinderen. Een van hen gebruikte blijkbaar het woord stom. De achtjarige Nicolas die zich pas had laten dopen, zei dat je dat misschien niet moest zeggen omdat het een 'slecht woord' was. De goede invloed van mama en papa was duidelijk merkbaar. Ik weet dat er dergelijke discussies gevoerd worden over andere uitdrukkingen. Nu denken sommigen misschien dat het onbelangrijke zaken zijn in vergelijking met de veel walgelijker en verlagender uitdrukkingen die we om ons heen horen. Toch scheppen onze woorden hoe dan ook een sfeer waarin we opbouwen of vernietigen. Ik heb kortgeleden tegen een vriend uit New York City gezegd dat ik vond dat de sfeer in de stad de laatste jaren aanmerkelijk verbeterd was en ik me afvroeg waardoor. Hij vertelde dat zijn vrouw rechter is in die stad en dat ze kleine dingen invoerden, zoals wetten tegen spuwen en overtreding van verkeerswetten, en dat belangrijker zaken daardoor beïnvloed werden. Zo heeft de Heer gezegd dat we door ons dagelijks taalgebruik en opbouwende daden de geest van waarheid en rechtschapenheid binnenlaten waardoor we 'de duisternis uit [ons] midden [mogen] bannen' (LV 50:25).
Ik herinner me nog dat de leraar in mijn eerste jaar als student Engels erop stond dat een van de studenten die een situatie beschreef, een ruwe uitdrukking moest vervangen door een aardiger woord. Ik was geschokt door een uitdrukking die ik nog maar zelden gehoord had, en zeker niet in prettige omstandigheden. Jaren later, op de hogeschool, sprak ik met een vriend die betoogde dat men, zoals hij het noemde, 'direct', indien nodig zelfs ruw moest kunnen zijn en ongevoelig voor andermans gevoelens. Jammer genoeg heeft die instelling de samenleving in zijn greep gekregen en vinden we die zelfs onder de heiligen. In de loop van de jaren is het aantal bedekte seksuele toespelingen, ongepaste humor, ruwe uitdrukkingen en luidruchtige gesprekken, luidruchtige muziek en gebaren toegenomen. Veel om ons heen is wreed en ruw -- ten koste van gedrag en zeden. De samenleving is er niet beter op geworden door ons 'lichtzinnig gepraat' en onze 'lichtzinnigheid'. In plaats daarvan hebben onze uitdrukkingen onze gemeenschappen vervuild en onze ziel aangetast.
President Spencer W. Kimball heeft gewaarschuwd tegen ordinaire taal en vooral tegen het te gemakkelijk spreken over seks, wat hij in verband bracht met onfatsoenlijkheid. 'Vieze praatjes en grapjes vormen een gevaar dat op de loer ligt om iedereen die zich hiermee ophoudt als zijn prooi te verschalken, omdat zij hiermee de eerste stap zetten op de weg die leidt tot verontreiniging van hun gedachten en daarmee van hun ziel.' (Zie Het wonder der vergeving, [1969]blz. 239).
Wat we zeggen en hoe we onszelf presenteren, verraadt niet alleen ons innerlijk, maar ook vormt het ons, degenen om ons heen, en uiteindelijk onze hele samenleving. Elke dag zijn we allemaal bezig het licht te verduisteren of de duisternis te verjagen. Wij zijn geroepen om het licht toe te laten en om een licht te zijn -- om onszelf te heiligen en anderen op te bouwen.
In zijn algemene brief heeft Jakobus veel zaken beschreven die nodig zijn om heilig te worden. Hij heeft daarbij ook genoemd dat we onze taal en onze gesprekken onder controle moeten houden. Sterker nog: hij heeft gezegd: 'Wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakt man, in staat zelfs zijn gehele lichaam in toom te houden.' (Jakobus 3:2.) In een vergelijking met de zee merkte hij op dat een klein roer een groot schip kan sturen, en dat onze tong ook onze koers en ons lot kan bepalen (zie vers 4). Bij verkeerd gebruik kan de tong 'het gehele lichaam [bezoedelen] en het rad der geboorte in vlam [zetten]' (vers 6). Hoe, vraagt hij, kan dezelfde mond zegeningen en vervloekingen voortbrengen? (Zie vers 10.)
Ik ben altijd onder de indruk geweest van het feit dat Jesaja, toen hij zijn opdracht van de Heer kreeg, zich beklaagde dat hij 'een man, onrein van lippen' was en woonde 'te midden van een volk, dat onrein van lippen' was (Jesaja 6:5). Ook van die zonde moest Jesaja gereinigd worden als hij het woord van de Heer moest verbreiden. Is het een wonder dat psalmisten en profeten de Heer ook hebben gesmeekt: 'Stel een wacht voor mijn mond' en 'Waak over de deuren van mijn lippen' (Psalmen 141:3), om te zorgen dat ze niet met hun tong zouden zondigen (zie Psalmen 39:2)?
Bij ons spreken en handelen behoren we ons af te vragen of we met onze woorden en uitdrukkingen de machten des hemels in ons leven toelaten en iedereen uitnodigen om tot Christus te komen. We moeten heilige zaken met eerbied behandelen. We moeten wat onfatsoenlijk, vuil, gewelddadig en bedreigend, verlagend en verkeerd is uit onze gesprekken schrappen. Zoals de apostel Petrus schreef: 'Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel' (1 Petrus 1:15). De uitdrukking 'wandel' heeft hier niet alleen betrekking op ons taalgebruik maar ook op ons hele gedrag. Net als Nephi vraagt hij ons om zo te leven dat we met de 'taal der engelen' kunnen spreken.
Ik getuig dat God heilig is. Hij is onze Vader en wij zijn zijn kinderen. Wij zijn zijn erfgenamen en mede-erfgenamen van Jezus Christus en zijn heerlijkheid. Christus heeft onze zonden gedragen en de dood overwonnen. Hij heeft ons gevraagd om te zijn zoals Hij en om op te bouwen in woord en daad. Met Johannes geloof ik dat het onze bestemming is dat 'als hij geopenbaard [zal] zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is' (1 Johannes 3:2). In de naam van Jezus Christus. Amen.