The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
April 1999
Vriendschap: een evangeliebeginsel

Vriendschap: een evangeliebeginsel

Ouderling Marlin K. Jensen
van het Presidium der Zeventig

Als wij werkelijk een middel willen zijn in de handen van onze hemelse Vader bij de verwezenlijking van zijn eeuwige doeleinden, moeten we een vriend zijn.

Ouderling Marlin K. Jensen

Goedemorgen, broeders en zusters. Hoewel, eerlijk gezegd, niemand eigenlijk een taak als deze echt gemakkelijk vindt, ben ik echt blij dat ik de gelegenheid heb op deze prachtige paasmorgen tot u te spreken.

Mijn wijze vader heeft me eens verteld dat ik, als ik goed luisterde naar wat de mensen vanaf de kansel in de kerk vertelden, zou weten met welke evangeliebeginselen ze zich bezighielden en met welke ze op dat moment worstelden. In de loop van de jaren ben ik, door mijn vaders opmerking, heel zorgvuldig geworden in de keuze van de onderwerpen waarover ik spreek! Niettemin moet ik u vandaag iets bekennen. Sinds president Gordon B. Hinckley ons verteld heeft dat elk nieuw lid een fundamentele behoefte heeft aan een vriend, een taak, en voeding met het goede woord van God, maak ik me zorgen of ik wel een goede vriend ben.

De profeet Joseph Smith heeft gezegd: 'Vriendschap is een van de verheven grondbeginselen van "mormonisme".'1 Die gedachte behoort ieder van ons te inspireren en te motiveren omdat vriendschap volgens mij een fundamentele behoefte is. Ik denk dat we allemaal een diep verlangen hebben naar vriendschap, een hunkering naar de voldoening en de geborgenheid die alleen intieme en duurzame betrekkingen ons kunnen schenken. Wellicht is een van de redenen dat er in de Schriften zo weinig gezegd wordt over vriendschap dat zij zich bij naleving van het evangelie op natuurlijke wijze behoort te manifesteren. In feite is vriendschap nauw verwant aan naastenliefde. Om in een vrije weergave met de apostel Paulus te spreken: vriendschap 'is lankmoedig [en vriendelijk]. [Vriendschap] is niet afgunstig; ( . . . ) zoekt zichzelf niet, [is niet lichtgeraakt, denkt geen kwaad]. [Vriend-schap] vergaat nimmermeer.'2

Zoals zoveel waardevolle zaken is in het leven, wordt er thuis het beste voorzien in onze behoefte aan vriendschap. Als onze kinderen binnen het gezin vriendschap ervaren, met elkaar en met hun ouders, zullen ze daarbuiten niet wanhopig op zoek gaan naar acceptatie. Ik denk dat het voor mijn vrouw en mij vooral heel bevredigend is geweest dat we lang genoeg geleefd hebben om te zorgen dat onze kinderen goede vrienden zijn geworden. Het is beslist een wonder dat gezinsleden die elkaar vroeger af en toe bedreigden met ernstig lichamelijk letsel, nu elkaars vriendschap zoeken en ervan genieten. Zo denk ik ook dat het voor ouders geen mooier compliment is dan dat kinderen zeggen dat hun ouders bij hun beste vrienden horen.

Vriendschap is ook een belangrijk en prachtig onderdeel van de verkeringstijd en het huwelijk. Een relatie tussen man en vrouw die begint met vriendschap en zich ontwikkelt tot een romance en uitmondt in een huwelijk zal meestal een blijvende, eeuwige vriendschap worden. Niets is inspirerender in de hedendaagse wereld van gemakkelijk uiteenvallende huwelijken dan te zien hoe man en vrouw jarenlang en in alle rust, genieten van elkaars vriendschap en samen de zegeningen en de beproevingen van het leven ervaren. In een onlangs verschenen rapport waarin een overzicht wordt gegeven van 25 jaar onderzoek naar het huwelijk staat dat 'de spil van een goed huwelijk ( . . . ) een eenvoudig gegeven is met verregaande invloed: vriendschap.'3 In een ontroerende brief van de profeet Joseph Smith aan zijn vrouw, Emma, troost hij haar tijdens de beproevingen in Missouri met de woorden: 'O, mijn toegenegen Emma, ik wil dat je onthoudt dat ik een oprechte en trouwe vriend ben, voor jou en de kinderen, voor altijd.'4

De geïnspireerde organisatie van de kerk stimuleert vriendschappen ook. Vanaf onze vroegste jeugd totdat we oud zijn, maken we deel uit van een groep waar vriendschap en sociale omgang tot bloei kunnen komen. In klassen, quorums, raden, presidiums en diverse andere verbanden kunnen we vriendschap sluiten en begrip vinden. Uit de begroeting van de ouderlingen in de school der profeten in Kirtland spreekt de geest van vriendschap die voor ieder van ons als credo zou kunnen dienen:

'Ik ontvang [u] als deelgenoot met een vast, onbeweeglijk ( . . . ) besluit om in de banden der liefde door de genade Gods uw vriend ( . . . ) te zijn.'5

Onze omgang met elkaar in de kerk wordt plezieriger en productiever als die vergezeld gaat van oprechte gevoelens van vriendschap. Iemand die onderwijst in het evangelie en geen vriendschap sluit met zijn of haar leerlingen, zal bijvoorbeeld nooit blijvende invloed en resultaat hebben. Ik koester nog steeds een zinnetje in mijn jaarboek van de middelbare school waarin een seminarieleerkracht van wie ik hield en veel geleerd heb, schreef dat hij blij was mijn vriend te zijn.

Een bisschop behoort, ongeacht zijn bestuurlijke vaardigheden, een vriend te zijn voor kinderen, jongeren en volwassenen als hij ze wil helpen hun geestelijk potentieel waar te maken. Ik was ontroerd toen een jongevrouw die ik kende naar haar bisschop ging om een ernstige overtreding te belijden. Ze had zich zorgen gemaakt hoe de bisschop zou reageren op het feit dat ze van het evangeliepad was afgedwaald, en was pas na veel aandringen naar hem toe gegaan. Toen ik haar later vroeg hoe hij gereageerd had, vertelde ze me heel geëmotioneerd dat hij met haar gehuild had en dat ze haar bisschop, nu ze samen met hem probeerde vergeving van de Heer te ontvangen, nu beschouwde als een van haar beste vrienden.

We staan als heiligen der laatste dagen voor een bijzonder probleem met betrekking tot het sluiten en in standhouden van vriendschappen. Omdat we zo toegewijd zijn aan ons huwelijk, ons gezin en de kerk, zouden we terughoudend kunnen zijn in onze contacten met anderen daarbuiten en in het uitbreiden van onze vriendenkring. Ik heb kort geleden met dat dilemma te maken gehad toen ik thuis probeerde tijd te vinden om aan deze toespraak te werken. Tweemaal kwamen vrienden van vroeger, van wie ik veel houd maar die ik slechts af en toe zie, onverwacht op bezoek. Het had een bijzonder moment moeten zijn van hereniging en herinneringen, maar ik merkte dat ik met groeiend ongeduld uitkeek naar het einde van het bezoek, zodat ik weer aan mijn toespraak over vriendschap kon gaan werken.

Sindsdien schaam ik me. Wat kunnen we toch zelfzuchtig zijn. Hoe weinig bereid om ongemak te verdragen, te geven, tot zegen te zijn, en te ontvangen. Wat voor ouders, buren, of dienstknechten van de Heer Jezus Christus kunnen we zijn zonder onze vrijwillige vriendschap? Is vriendschap in dit informatietijdperk niet nog altijd de beste techniek om anderen te laten delen in de waarheid en de levenswijze die wij koesteren? Is onze aarzeling om vrijwillig vriendschap te sluiten met andere mensen niet een ernstig beletsel om God te assisteren bij het bereiken van zijn eeuwige doeleinden?

Jaren geleden, toen ik bisschop was, kwam een gezin dat pas lid was geworden in Utah wonen. Die goede mensen waren in het oosten van Verenigde Staten lid van de kerk geworden, goed begeleid en hadden in een kleine gemeente daar een taak gekregen. Toen ze in onze grotere, meer gevestigde wijk kwamen, werden ze op de een of andere manier over het hoofd gezien. Een aantal gezinsleden, vooral de vader, raakten gedesillusioneerd met betrekking tot de kerk en de leden.

Op een zondagmorgen, toen ik merkte dat de vader niet in de priesterschapsbijeenkomst zat, reed ik naar zijn huis. Hij liet me binnen en we hadden een heel eerlijk gesprek over zijn worsteling met zijn nieuwe geloof en buren. Nadat we een aantal mogelijkheden hadden besproken om zijn problemen op te lossen, die hem niet leken aan te spreken, vroeg ik hem met teleurstelling in mijn stem wat we dan nog voor hem konden doen. Ik ben zijn antwoord nooit vergeten:

'Nou, bisschop,' zei hij (en ik moet het enigszins vrij weergeven), 'wat u ook doet, wijs me in 's hemelsnaam geen vriend toe.'

Ik heb die dag een belangrijke les geleerd. Niemand wil een 'project' worden; we willen allemaal gewoon dat mensen spontaan van ons houden. En, als we vrienden moeten hebben, willen we echte, oprechte, geen 'toegewezen' vrienden.

Broeders en zusters, mijn boodschap is eenvoudig: als wij werkelijk een middel willen zijn in de handen van onze hemelse Vader bij de verwezenlijking van zijn eeuwige doeleinden, moeten we een vriend zijn. Denkt u eens aan onze kracht als we 'uit eigen vrije wil en keuze' onvoorwaardelijk vriendschap sluiten met mensen die nog niet van ons geloof zijn. We zouden er niet langer van beschuldigd worden dat we mensen warm welkom heten en dan weer laten vallen. Denkt u eens aan de positieve gevolgen als elk actief gezin in de kerk blijvende zorg en oprechte vriendschap bood aan een minder-actief of een nieuw gezin in de kerk. We kunnen allemaal een vriend zijn. Oud en jong, rijk en arm, met of zonder opleiding, allemaal kunnen we een vriend zijn.

In vroeger tijden werd Abraham 'een vriend van God' genoemd. Onze Heiland zei kort voor zijn kruisiging tegen zijn discipelen: 'Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. Gij zijt mijn vrienden.'5 Omdat wij zo rijk gezegend zijn door de vriendschap van Christus, bid ik dat wij nu voor anderen zullen zijn wat Hij voor ons is: een echte vriend. Nooit zullen we meer op Christus lijken dan wanneer we een vriend zijn. Ik getuig van de onschatbare waarde van de vrienden in mijn leven, en ik spreek deze morgen mijn dankbaarheid voor hen uit. Ik weet dat wij, als we anderen onze vriendschap aanbieden, een heel belangrijk aandeel leveren in Gods werk en in het geluk en de vooruitgang van zijn kinderen. In de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Leringen van de profeet Joseph Smith, blz. 287.
2. 1 Korintiërs 13:4­8.
3. John Gottman, geciteerd in Karen S. Peterson, 'Friendship Makes Marriages a Success', USA Today, 1 april 1999, blz. 1D.
4. Geciteerd in Daniel H. Ludlow, ed. Encyclopedia of Mormonism, vier delen, deel 3, blz. 1345.
5. Leer en Verbonden 88:133.
6. Johannes 15:13­14.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy