The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
April 1999
Liefde en dienstbetoon

Liefde en dienstbetoon

Ouderling David B. Haight
van het Quorum der Twaalf Apostelen

Laat mij u allen eraan herinneren dat we grote behoefte aan zendelingenechtparen hebben ( . . . ) Als u gepensioneerd bent en zich afvraagt wat u met die extra jaren moet doen, dan staat er een hele wereld van opwindende ervaringen voor u open.

Ouderling David B. Haight

Broeders en zusters, wat is het een mooie dag. Wat is het een mooie tijd, een prachtige tijd om in te leven, en wat is het een prachtige tijd om lid van de kerk te zijn.

Hoewel mijn ogen niet meer de beste zijn, ervaar ik dat mijn visie beter wordt naarmate ik ouder word, dat ik de grote lijnen beter herken naarmate de tijd verloopt. Ik kijk naar Ruby die hier zit, met grote tederheid. Dit jaar vieren we onze 69e huwelijksdag. En zo gaat het verder vandaag: mijn hart is vol van dankbaarheid voor de zegeningen die ik heb ontvangen en voor de invloed die de kerk op mijn leven heeft gehad, met Ruby aan mijn zijde, en voor de zoons die we hebben grootgebracht, Bruce en Robert, en voor onze dochter Karen en al hun aanhang. Voor mijn geestesoog zie ik nu, niet allen hier in Utah, maar ook in Californië, in Texas, in North Carolina en in Boston, achterkleinkinderen voor de tv zitten. Waarschijnlijk zeggen ze: 'Die ouwe kerel is opa. Hij ziet er oud uit, hè? Maar het is onze opa.' Aan hen allen betuig ik mijn liefde en dankbaarheid.

Met het ouder worden en terugkijkend op de wereld en het leven dat ik heb geleid, besef ik dat de band van liefde onderling en de diensten die we betonen de echte grote beloning zijn.

Toen ik enkele jaren geleden voor de kerk onderweg was in een vliegtuig, vroeg de stewardess tegen het einde van de vlucht of we iets fris wilden drinken. Ik vroeg om een 7-up of iets dergelijks.

Toen ze mij de frisdrank bracht, viel haar oog op mijn dasspeld. Op die dasspeld, die ik nu in mijn hand heb -- jaren geleden droegen we die als zendelingen in Schotland -- was een heraldiek wapen van het Britse koninklijk huis, maar in het midden hadden we de Londen-tempel laten aanbrengen. Dus op die dasspeld was de tempel met dat wapen eromheen. Toen de stewardess mij de 7-up gaf, zei ze: 'Zeg, dat is een bijzondere dasspeld. Wat stelt het voor?'

Ik zei: 'Dat is een tempel.'

De jonge vrouw zei: 'Een tempel? Een tempel waarvan?'

Ik zei: 'Een tempel van de Heer.'

Zij zei: 'Een wat?'

Ik zei: 'Een tempel van de Heer.'

Ik ontwaarde interesse; ze zei: 'Bij welke kerk bent u?'

Ik vertelde haar van onze kerk en omdat ik merkte dat ze er belang in stelde zei ik tegen haar: 'Als u mij uw naam en adres geeft, zorg ik ervoor dat er een paar jongemannen bij u langs komen om u over deze tempel en over tempels in het algemeen te vertellen.'

Ze keek me vreemd aan en liep weg. Een ogenblik later kwam ze terug en gaf me een papiertje waar haar naam, Penny Harryman, op stond en haar adres in Los Angeles.

Ik belde de zendingspresident op en zei tegen hem, zoals we dat gewend zijn te doen: 'Stuur twee van je beste zendelingen. Ik wil dat u deze jonge vrouw bezoekt.' Ik had namelijk tegen haar gezegd: 'Ik zorg ervoor dat er een paar jongemannen bij u langskomen en als u doet wat ze van u vragen en naar hen luistert, dan beloof ik u dat u de grootste zegeningen zult ontvangen die u maar in uw leven kunt krijgen.'

Bijna een jaar later kreeg ik op kantoor een telefoontje; een meisjesstem zei: 'Ik ben Penny Harryman. Kent u mij nog?'

Ik zei: 'Zeker.'

Zij zei: 'Zou u tijd hebben om ons huwelijk in te zegenen in de Salt Lake-tempel?'

Ik zei: 'Zeker wil ik dat.'

Toen ik deze jonge vrouw aan haar verloofde verzegelde die ze in die tussentijd had ontmoet, hoorde ik dat haar moeder zich op Temple Square in Salt Lake City bevond en zich liep af te vragen wat we met haar dochter in de tempel deden, want zij mocht niet naar binnen.

Met het voortschrijden van de tijd worden de liefde die we anderen geven en de diensten die we hun betonen zo belangrijk in ons leven.

Wij kennen allemaal de verschijningen van de Heiland na zijn opstanding -- een daarvan was aan Petrus en de vissers op het strand van de Zee van Galilea. Het was klaarblijkelijk heel vroeg in de ochtend; Hij riep hen en vroeg of ze succes hadden. Ze zeiden van niet. Toen raadde Hij hen aan hun netten aan de andere kant van het vaartuig uit te zetten. Volgens het verhaal dat Johannes zo mooi heeft opgetekend, haalden ze de netten in vol met vis.

De Heiland was daar. Er was een vuurtje, volgens Johannes' verhaal, en ze aten vis, honingraat en brood. Bij die gelegenheid vroeg de Heiland aan Petrus: 'Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan [deze]?' (Johannes 21:15; zie vss. 1­17). Ongetwijfeld wees Hij daarbij op de vissen die waarschijnlijk nog in de netten spartelden.

'Hebt gij Mij lief, meer dan dezen?' Ze waren arm. Ze konden de vis verkopen, voor geld verkopen, iets ermee doen.

Petrus zei -- waarmee hij aangaf dat de Heer alles wist --: 'Gij weet dat ik U liefheb.' En de Heiland zei tegen Petrus: 'Weid mijn lammeren' (vs. 15).

Toen zei de Heiland voor de tweede keer tegen Petrus: 'Hebt gij Mij waarlijk lief?' Petrus was bedroefd omdat de Heiland het twee keer vroeg, en de Heiland zei: 'Hoed mijn schapen' (vs. 16).

Toen vroeg Hij hem voor de derde keer: 'Hebt gij Mij lief? ( . . . ) Weid mijn schapen' (vs. 17).

Waar zijn wij mee bezig? Proberen we de Heiland iets te bewijzen op deze dag die ons zo dierbaar is, omdat we op deze dag de opstanding van de Heiland vieren, prediken en verkondigen? Waar zijn we mee bezig en hoe laten we zien dat wij de Heiland liefhebben? Doen we dat niet door onze gehoorzaamheid en ons dienstbetoon en wat we met onze tijd doen?

Onlangs kreeg ik een interessante brief van een ringpresident in Phoenix (Arizona). Als ik tijd kon vrijmaken om te komen, zou hij voor een haardvuuravond zorgen. Hij wilde dat ik de 'sneeuwvogels' toesprak. Hij legde uit dat honderden mensen, 'sneeuwvogels', 's winters naar Arizona komen, uit alle delen van de Verenigde Staten, om daar de winter door te brengen. Hij zei verder: 'Het zijn beste mensen, gepensioneerd, met heel veel kwaliteiten. Ze komen naar ons toe en maken nu deel uit van onze wijken'. Als je een sneeuwvogel bent, kun je een deel van het jaar in Arizona doorbrengen en de rest ergens anders, dus ben je zo vrij als wat om te doen waar je zin in hebt.

Laat mij u allen eraan herinneren dat we grote behoefte aan zendelingenechtparen hebben in de wereld, want het zendingsprogramma breidt zich uit, zendelingenechtparen die de gemeentes en ringen in de hele wereld, overal waar meer en meer mensen lid van de kerk worden, versterking brengen.

U hebt waarschijnlijk allemaal gehoord wat er in Mongolië gebeurd is toen Ken Beesley daar was om de regering te helpen bij het opzetten van een instelling van hoger onderwijs. Hij instrueerde hen in leergangen en bestuur, en daarmee legde hij het fundament waarop anderen konden bouwen om de deur voor de kerk open te zetten.

U hebt waarschijnlijk ook gehoord over president Gary Cox en zijn vrouw, Joyce Cox, die geroepen werden om daar als zendeling te werken, later als zendingspresident, en over het goede werk dat zij daar verricht hebben.

Toen had je dr. John Bennett en zijn vrouw, Carolyn, die in Mongolië werkzaam zijn geweest en die vertelden dat ze dachten dat ze naar de Canarische Eilanden zouden gaan, omdat iemand daar hen had uitgenodigd, maar toen hun zendingsoproep kwam, bleek het Mongolië te zijn. Ze waren stomverbaasd. Later heb ik het een en ander gelezen over wat ze in Mongolië meegemaakt hebben, de invloed die ze op het leven van zovelen gehad hebben en de diensten die ze betoond hebben. Hoewel ze een broer in zijn laatste dagen moesten achterlaten en hoewel een paar kinderen gingen trouwen, met receptie en al, zeiden ze: 'In ieder geval bleven we telefonisch met ze in verbinding toen dat alles gebeurde.'

Denk er eens bij na hoe we er nu voorstaan in Mongolië: er zijn zo'n 1300 leden en negen gemeentes.

Ik denk ook aan broeder Ken Woolstenhulme en zijn vrouw, Karren, uit Oakley (Utah), die ergens heen wilden waar er wat te doen was. Ze werden naar Perth in Australië gestuurd. Ze zijn nu in een kleine gemeente zo'n kleine 500 km ten noorden van Perth. Ze schrijven en vertellen hoe opwindend het allemaal voor ze is, omdat ze deelnemen in de ontwikkeling van de kerk in dat deel van de wereld.

Als u gepensioneerd bent en zich afvraagt wat u met die extra jaren moet doen, dan staat er een hele wereld van opwindende ervaringen voor u open. Ik denk aan Talmage Nielsen hier in Salt Lake City, een gepensioneerd arts, en zijn vrouw, die in Zuid-Amerika en in Frankfurt op zending zijn geweest, medische zendingen; ook in Rusland hebben ze medische hulp verleend. Toen ze thuiskwamen, hadden ze net tijd genoeg om de kleinkinderen te begroeten en weer afscheid te nemen, want ze werden naar Hawaii geroepen, waar hij hoofd van een bezoekerscentrum zou worden. Ik weet van de heerlijke ervaringen en de zegeningen die ze ontvangen hebben op deze drie zendingen.

Toen ik hem onlangs sprak, vroeg ik: 'Wat ga je in de rest van je leven doen?'

Hij zei: 'Kijk, ik ben nu 72.'

Ik zei: 'Pas 72? Ik ben al twintig jaar verder. En als ik me bedenk wat ik in die twintig jaar beleefd heb, Talmage, dan weet ik dat je nog wel wat kunt bedenken.'

Ik geef u mijn getuigenis dat het evangelie waar is, dat God leeft, dat Hij onze Vader is en dat Hij op de een of andere wonderbaarlijke wijze ons hart en ons geweten raakt wat de waarheid van dit werk betreft. Wij voelen het en 0wij voelen zijn liefde en zijn genade voor ons allen.

Mogen we naar de beginselen van het evangelie leven. Mogen we onze tijd effectief gebruiken, alle tijd die we hebben, dat bid ik nederig -- en ik laat mijn liefde en getuigenis van de waarheid van dit werk bij u achter -- in de naam van onze Heer en Heiland, Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy