The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
Oktober 1998
De Aäronische priesterschap en het avondmaal

De Aäronische priesterschap en het avondmaal

Ouderling Dallin H. Oaks
van het Quorum der Twaalf Apostelen

Degenen die het Aäronische priesterschap dragen doen de deur open voor alle leden van de kerk die waardig van het avondmaal nemen, om zich te verheugen in het gezelschap van de Geest van de Heer en de bediening van engelen.

Ouderling Dallin H. Oaks

Ik ben blij dat ik vanavond tot jullie mag spreken. Ik richt me tot de jongemannen met het Aäronisch priesterschap en tot de bisschoppen en raadgevers die hen presideren. Ik zal spreken over de heilige verrichtingen van de Aäronisch priesterschapsdragers bij het klaarmaken, de bediening en het ronddienen van het sacrament van maaltijd des Heren aan de leden van de kerk.

I.

Op 15 mei 1829 heeft Johannes de Doper het Aäronisch priesterschap op aarde hersteld. Dat deed hij door Joseph Smith en Oliver Cowdery de handen op te leggen en deze woorden uit te spreken:

'Aan u, mijn mededienstknechten, verleen ik in de naam van de Messias, het priesterschap van Aäron, dat de sleutels omvat van de bediening van engelen en van het evangelie der bekering, en van doop door onderdompeling voor de vergeving van zonden; en dit zal nimmermeer van de aarde worden weggenomen, totdat de zonen van Levi de Heer wederom een offerande in gerechtigheid zullen brengen' (LV 13:1).

Later heeft de Heer nog deze waarheden geopenbaard:

'Het lagere priesterschap [houdt] de sleutel ( . . . ) van de bediening van engelen en het voorbereidende evangelie;

'Welk evangelie het evangelie is van bekering, doop en vergeving van zonden' (LV 84:26­27).

Wat betekent het dat de Aäronische priesterschap 'de sleutel [houdt] van de bediening van engelen' en van het 'evangelie van bekering, doop en vergeving van zonden'? De betekenis daarvan ligt in de verordening van de doop en het avondmaal. De doop is voor de vergeving van zonden, en het avondmaal is een hernieuwing van de verbonden en zegeningen van de doop. Beide behoren te worden voorafgegaan door bekering. Wanneer wij ons houden aan de verbonden die we tijdens die verordeningen sluiten, hebben we de belofte dat we altijd zijn Geest met ons zullen hebben. De bediening van engelen is een van de manifestaties van die Geest.

II.

We beginnen met de leer zoals die ons door de Heer geleerd is. Tijdens zijn bediening heeft Jezus gezegd dat de doop noodzakelijk is voor ons heil. 'Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan' (Johannes 3:5). De doop is de eerste verlossende verordening. Wanneer we ons laten dopen, sluiten we een verbond dat we de naam van Jezus Christus op ons zullen nemen, Hem zullen dienen en zijn geboden zullen onderhouden.

Aan het einde van zijn bediening heeft Jezus het sacrament van de maaltijd des Heren ingesteld. Hij brak het brood, zegende het en gaf het aan zijn discipelen, zeggende: 'Neemt, eet, dit is mijn lichaam' (Matteüs 26:26). 'Doet dit tot mijn gedachtenis' (Lucas 22:19). Hij nam de beker, dankte en gaf hun die, zeggende: 'Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden' (Matteüs 26:28).

Toen Hij het avondmaal instelde, gaf de Heiland ook onderricht en beloften omtrent de Heilige Geest. Bij die heilige gelegenheid, die we kennen als het laatste avondmaal, heeft Jezus uitgelegd wat de zending van de Trooster, de Heilige Geest, was. De Trooster zou van Hem getuigen en meer waarheden openbaren. Jezus heeft ook uitgelegd dat Hij zijn discipelen moest verlaten om de Trooster te laten komen. Wanneer ik heenga, zei Hij tegen hen, 'zal Ik Hem tot u zenden' (Johannes 16:7). Na zijn opstanding zei Hij tegen zijn apostelen dat ze in Jeruzalem moesten blijven totdat 'gij bekleed wordt met kracht uit den hoge' (Lucas 24:49). Die kracht kwam toen op de pinksterdag 'de belofte van de Heilige Geest' op de apostelen werd 'uitgestort' (zie Handelingen 2:33).

Zo beloofde de Heiland toen Hij het avondmaal in de nieuwe wereld instelde: 'Hij, die dit brood eet, eet van mijn lichaam voor zijn ziel; en hij, die van deze wijn drinkt, drinkt van mijn bloed voor zijn ziel; en zijn ziel zal nimmermeer hongeren noch dorsten, maar zal voldaan zijn' (3 Nephi 20:8). Wat die belofte inhield, is duidelijk: 'Toen nu de ganse schare had gegeten en gedronken, ziet, toen waren zij vervuld van de Geest' (3 Nephi 20:9).

Het innige verband tussen het nemen van het avondmaal en het gezelschap van de Heilige Geest wordt uitgelegd in het geopenbaarde gebed van het avondmaal. Als we van het brood nemen, betuigen we dat we gewillig zijn de naam van Jezus Christus op ons te nemen, Hem altijd indachtig te zijn en zijn geboden te onderhouden. Als we dat doen, hebben we de belofte dat we altijd zijn Geest met ons zullen hebben (zie LV 20:77).

Het voortdurende gezelschap van de Heilige Geest is het kostbaarste wat we in de sterfelijkheid kunnen bezitten. De gave van de Heilige Geest is na onze doop op ons bevestigd door het gezag van het Melchizedeks priesterschap. Maar om de zegeningen daarvan waar te maken, moeten we zonder zonde blijven. Wanneer we een zonde begaan, worden we onrein en trekt de Geest van de Heer zich terug. De Geest van de Heer verblijft niet in 'onheilige tempels' (zie Mosiah 2:36­37; Alma 34:35­36; Helaman 4:24) en niets onreins kan in zijn tegenwoordigheid verblijven (zie Efeziërs 5:5; 1 Nephi 10:21; Alma 7:21; Mozes 6:57).

Een paar weken geleden heb ik met een kettingzaag een boom in mijn achtertuin omgezaagd. Het was een vies klusje, en toen ik klaar was, zat ik onder een smerig mengsel van zaagsel en olie. Ik wilde niet dat iemand me zo zag. Ik wilde me zo snel mogelijk wassen zodat ik me in het gezelschap van anderen weer op m'n gemak zou voelen.

Niemand van jullie, jongemannen, en niemand van jullie leiders is na zijn doop zonder zonde gebleven. Zonder enige maatregelen voor verdere reiniging na onze doop zouden we met betrekking tot geestelijke zaken allemaal verloren zijn. De Heilige Geest kan onze metgezel niet zijn en bij het laatste oordeel zouden we gedoemd zijn 'voor eeuwig [te] worden verworpen' (1 Nephi 10:21). Wat zijn we dankbaar dat de Heer gezorgd heeft dat elk gedoopt lid van zijn kerk regelmatig gereinigd kan worden van de smet van de zonde. Het avondmaal is een belangrijk onderdeel van dat proces.

Ons is geboden ons van onze zonden te bekeren en tot de Heer te komen met een gebroken hart en een verslagen geest, van het avondmaal te nemen en daarbij de verbonden te sluiten. Wanneer we zo onze doopverbonden hernieuwen, hernieuwt de Heer het reinigend effect van onze doop. Zo worden we gereinigd en kunnen we altijd zijn Geest bij ons hebben. Het belang daarvan is duidelijk in het gebod van de Heer dat we elke week van het avondmaal moeten nemen (zie LV 59:8­9).

We kunnen het belang van het Aäronisch priesterschap hierin niet overdrijven. Alle belangrijke stappen die horen bij de vergeving van zonden worden gezet door de verordening van de doop en de hernieuwende verordening van het avondmaal. Beide verordeningen worden verricht door dragers van het Aäronisch priesterschap onder leiding van de bisschap, die de sleutels houdt van het evangelie der bekering, van de doop en de vergeving van zonden.

III.

Deze verordeningen van het Aäronisch priesterschap zijn ook nauw verwant aan en van wezenlijk belang voor de bediening van engelen.

'Het woord "engel" wordt in de Schriften gebruikt voor elke hemels wezen dat Gods boodschap brengt' (George Q. Cannon, Gospel Truth, bezorgd door Jerreld L. Newquist [1987], blz. 54). De Schriften vermelden talloze momenten waarop een engel verschijnt. De verschijning van een engel aan Zacharias en Maria (zie Lucas 1), aan koning Benjamin en Nephi, de zoon van Helaman (zie Mosiah 3:2; 3 Nephi 7:17, 18) zijn slechts een paar voorbeelden. Toen ik jong was, dacht ik dat zulke verschijningen de enige bediening van engelen vormden. Als jonge Aäronisch priesterschapsdrager verwachtte ik geen engel te zien, en vroeg ik me af wat zulke verschijningen met het Aäronisch priesterschap te maken hadden.

Maar de bediening van engelen kan ook onzichtbaar plaatsvinden. Boodschappen van engelen kunnen gegeven worden door een stem, of door gedachten of gevoelens die ingegeven worden. President John Taylor heeft het als volgt beschreven: 'de inwerking van engelen, of boodschappers van God, op onze geest, zodat het hart openbaringen van de eeuwige wereld kan ontvangen' (John Taylor, Gospel Kingdom, bezorgd door G. Homer Durham [1987], blz. 31).

Nephi heeft drie manifestaties van de bediening van engelen beschreven toen hij zijn opstandige broers eraan herinnerde dat (1) zij een engel hadden gezien, (2) zij 'van tijd tot tijd ( . . . ) zijn stem gehoord' hadden, en dat (3) een engel ' met zachte inspraak tot [hen] gesproken' had, maar dat zij 'gevoelloos geworden' waren en zijn woorden niet konden voelen (1 Nephi 17:45). De Schriften bevatten nog veel meer uitspraken dat engelen gestuurd worden om het evangelie te verkondigen en de mensen tot Christus te brengen (bijvoorbeeld Hebreeën 1:14; Alma 39:19; Moroni 7:25, 29, 31­32; LV 20:35). De communicatie met engelen is vaker voelbaar of hoorbaar dan zichtbaar.

Hoe houdt de Aäronische priesterschap de sleutel tot de bediening van engelen? Het antwoord is gelijk aan dat voor de Geest van de Heer.

Over het algemeen zijn de zegeningen van geestelijke omgang en communicatie alleen voorbehouden aan wie rein zijn. Zoals eerder uitgelegd, worden we door de verordeningen van het Aäronisch priesterschap, de doop en het avondmaal, gereinigd van onze zonden en wordt ons beloofd dat we, als we ons aan onze verbonden houden, altijd zijn Geest bij ons zullen hebben. Ik geloof dat die belofte niet alleen de Heilige Geest betreft, maar ook de bediening van engelen, want 'engelen spreken door de macht van de Heilige Geest; daarom spreken zij de woorden van Christus' (2 Nephi 32:3). Daarom maken de Aäronisch-priesterschapsdragers het alle goede kerkleden die van het avondmaal nemen mogelijk om het gezelschap van de Geest van de Heer en de bediening van engelen te genieten.

IV.

De leerstellingen die ik besproken heb, staan in de Schriften. Uit de Schriften weten we ook dat wie officiëren in het priesterschap, handelen in de naam van de Heer (zie LV 1:38; 36:2). Nu zal ik behandelen hoe leraren, priesters en diakenen hun heilige taak moeten vervullen om in de naam van de Heer te handelen als ze het avondmaal klaarmaken, bedienen en ronddienen. Ik zal geen details geven, want de omstandigheden in de wijken en gemeenten in onze wereldwijde kerk zijn zo verschillend, dat een bepaalde regel die voor de ene situatie niet geldt, wel geldt voor een andere. Ik behandel liever een beginsel, gebaseerd op de leer. Als iedereen dat beginsel begrijpt en overeenkomstig daarmee handelt, zullen weinig regels nodig zijn. Als regels of advies in bepaalde omstandigheden nodig zijn, kunnen de plaatselijke leiders die geven, in overeenstemming met de leer en de daaraan verbonden beginselen.

Het beginsel dat ik in overweging geef aan wie bij het avondmaal officiëren -- klaarmaken, bedienen of ronddienen -- is, dat zij geen enkel lid afleiden van aanbidding of de hernieuwing van zijn verbonden. Bij dat beginsel: niet afleiden, horen nog andere beginselen.

Diakenen, leraren en priesters behoren er altijd netjes uit te zien en eerbiedig te zijn bij de vervulling van hun plechtige en heilige taak. De bijzondere taak van de leraar, het avondmaal klaarmaken, is het minst zichtbaar, maar behoort toch met waardigheid, in stilte en eerbiedig te worden gedaan. Leraren behoren er altijd aan te denken dat de symbolen die zij klaarmaken het zinnebeeld zijn van het lichaam en bloed van de Heer.

Om te voorkomen dat men wordt afgeleid van de heilige gebeurtenis, behoren de priesters het avondmaalsgebed duidelijk en langzaam uit te spreken. Het is niet goed dat de gebeden worden afgeraffeld of onduidelijk worden uitgesproken. Alle aanwezigen moeten de verordening en de verbonden kunnen begrijpen die zo belangrijk zijn dat de Heer de woorden precies heeft voorgeschreven. Iedereen moet zich bij de hernieuwing van zijn verbonden kunnen concentreren op de gewijde woorden.

Ik zal u een pijnlijke gebeurtenis uit mijn jeugd vertellen. Ik was zestien, priester, en net begonnen met een parttimebaantje bij een plaatselijk radiostation. Toen ik een gebed had uitgesproken aan de avondmaalstafel in onze wijk, zei een meisje dat het klonk alsof ik een reclameboodschap voorlas. Kunt u zich voorstellen hoe ik me schaamde? Na vijftig jaar heb ik er nog steeds last van. Broeders, denk aan de betekenis van die heilige gebeden. U bidt als een dienstknecht van de Heer voor de hele gemeente. Spreek zo, dat men u hoort en verstaat en laat het oprecht zijn.

Diakenen behoren het avondmaal eerbiedig en ordelijk rond te dienen, zonder onnodige bewegingen of gezichtsuitdrukkingen die de aandacht trekken. In alles behoren ze te voorkomen dat ze leden van de gemeente afhouden van aanbidding en het sluiten van de verbonden.

Ieder die het avondmaal officieert -- klaarmaakt, bedient of ronddient ­ behoort netjes verzorgd en niet opzichtig gekleed te zijn; niets aan hun uiterlijk mag de aandacht op ze vestigen. Zowel in uiterlijk als in gedrag behoren ze te voorkomen dat ze iemand afleiden van de aanbidding en de verbonden die het doel zijn van deze heilige verordening.

Dat beginsel: niet afleiden, heeft betrekking op het zichtbare en het onzichtbare. Als iemand die deze heilige verordening officieert niet waardig is om eraan deel te nemen, en wanneer dat bekend is aan een van de aanwezigen, leiden ze die persoon ernstig af. Jongemannen, als je niet leeft volgens de normen, praat dan zonder uitstel met je bisschop. Vraag hem wat je moet doen om getrouw en netjes je priesterschapstaken uit te voeren.

Nog een laatste opmerking. Met uitzondering van de priesters die het brood breken, behoren alle Aäronisch-priesterschapsdragers de avondmaalslofzang mee te zingen waarmee we aanbidden en ons voorbereiden. Niemand heeft die geestelijke voorbereiding meer nodig dan de priesterschapsdragers die zullen officiëren. Mijn jonge broeders, het is belangrijk dat je de avondmaalslofzang meezingt. Doe dat alsjeblieft.

De Aäronische priesterschap houdt de sleutels van het 'evangelie ( . . . ) van bekering, doop en vergeving van zonden' (LV 84:27). De reinigende kracht van de verzoening van onze Heiland wordt hernieuwd als we van het avondmaal nemen. De belofte dat we 'altijd zijn Geest met [ons] hebben' (LV 20:77) is van groot belang voor onze geest. De verordeningen van het Aäronisch priesterschap zijn essentieel voor dat alles. Ik getuig dat dit waar is, en ik bid dat onze broeders van de Aäronische priesterschap zullen begrijpen hoe belangrijk hun heilige taak is en dat ze er als zodanig mee om zullen gaan. In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy