The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
Oktober 1998
Vandaag bepaalt morgen

Vandaag bepaalt morgen

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

Laten wij allen van Hem leren, in Hem geloven, op Hem vertrouwen, Hem volgen, Hem gehoorzamen. Door dat te doen, kunnen wij worden zoals Hij.

President Thomas S. Monson

Het is mij een vreugde hier voor u te staan, voor zo'n groot aantal priesterschapsdragers, zowel zichtbaar als onzichtbaar. De algemene priesterschapsbijeenkomsten zijn altijd al bijzonder voor me geweest -- van mijn Aäronische-priesterschapsdagen tot nu. 'Komt, hoort naar eens profeten stem'1, zoals in een lofzang uit onze zangbundel staat, is een dierbare zegening.

Wij steunen Gordon B. Hinckley als de president van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen en als de profeet, ziener en openbaarder van de kerk in onze tijd. In een brief die ik van een trotse vader heb gekregen, staat een ervaring die hij had met zijn zoontje, dat toen vijf was en de liefde die de jongen had voor de president van de kerk, en zijn verlangen om het voorbeeld van de president na te volgen. De vader schreef:

Toen Christopher vijf was, maakte hij zich op zondag meestal zelf klaar om naar de kerk te gaan. Op een bepaalde zondag besloot hij dat hij een kostuum met das wilde dragen, iets wat hij tot dan toe nog nooit had gedaan. Hij doorzocht zelf de kast op de aanwezigheid van een afgedankte stropdas, en kwam te voorschijn met een nogal versleten clipdas die hij niet hoefde te strikken. Hij hing de das aan zijn witte shirt en deed daaroverheen het kleine donkerblauwe jasje aan dat al jaren in de jongenskast hing.

Hij ging zelf naar de badkamer en kamde zorgvuldig zijn blonde haar volmaakt in model. Rond die tijd ging ik ook naar de badkamer om de laatste hand aan mijn eigen uiterlijke verzorging te leggen. Ik zag Christopher zichzelf bewonderen in de spiegel. Zonder zijn ogen van zijn spiegelbeeld te halen, verklaarde hij trots: 'Kijk, papa -- Christopher B. Hinckley!'

Onze kinderen kijken. Zij nemen eeuwige lessen in zich op. Zij geven hun toekomst vorm. Wat is het voorbeeld dat we hun geven?

Jaren geleden woonde onze jongste zoon, Clark, een godsdienstles bij aan de Brigham Young University, toen de leerkracht tijdens het college aan Clark vroeg: 'Welk voorbeeld uit het leven met je vader herinner je je het beste?'

De leerkracht schreef mij later en vertelde welk antwoord Clark had gegeven. Clark had gezegd: 'Toen ik diaken in de Aäronische priesterschap was, gingen papa en ik op fazantenjacht bij Malad (Idaho). Het was maandag -- de laatste dag van het jachtseizoen. We liepen door talloze velden, op zoek naar fazanten. We zagen er een paar, maar we misten ze. Toen zei papa tegen me: "Clark, laten we onze geweren ontladen en ze in deze greppel leggen. En dan knielen we om te bidden." Ik dacht dat papa om meer fazanten zou bidden, maar ik had het mis. Hij legde uit dat ouderling Richard L. Evans ernstig ziek was en dat de leden van het Quorum der Twaalf om twaalf uur die maandag -- waar ze op dat moment ook waren -- zouden knielen en in zekere zin toch gezamenlijk een vurig gebed van geloof zouden opzenden voor ouderling Evans. We deden onze pet af en baden.'

Ik herinner me die gelegenheid goed, maar ik had nooit gedroomd dat er een zoon keek, leerde en bouwde aan zijn eigen getuigenis.

Bij het analyseren van de statistieken van hen die als diaken, leraar en priester het Aäronisch priesterschap dragen, raken wij bezorgd over de aanzienlijke aantallen diakenen die tot inactiviteit vervallen en niet tijdig leraar worden. Datzelfde geldt voor enkelen die leraar zijn maar geen priester worden -- en vooral voor priesters die nooit het Melchizedeks priesterschap ontvangen. Dat zou nooit moeten voorkomen. Wij hebben een grote plicht om die jongemannen te leiden en inspireren op het priesterschapspad, opdat geen lawine van zonde of dwaling hun vooruitgang zal tegenhouden of hen bij hun eeuwige doelen zal wegvegen.

Bisschoppen en raadgevers van bisschoppen, zult u de activiteitsniveaus van alle jongemannen in de Aäronische priesterschap onderzoeken en een eigen plan opstellen om de vooruitgang en activiteit van ieder van hen te verzekeren?

Een pas geroepen bisschop zei tijdens zijn eerste vergadering met zijn raadgevers: 'De Aäronische priesterschap is onze primaire verantwoordelijkheid.' De tweede raadgever gaf hij de opdracht: 'Ik vraag u om er persoonlijk voor te zorgen dat elke diaken er op de juiste leeftijd voor in aanmerking komt om leraar te worden, en geordend wordt.' Tegen de andere raadgever zei hij: 'Wilt u alstublieft hetzelfde doen voor de leraren, zodat zij op tijd ervoor in aanmerking komen priester te worden, en geordend worden.' En hij vervolgde: 'Ik neem diezelfde taak op mij voor de priesters, opdat zij het Melchizedeks priesterschap ontvangen en tot ouderling geordend worden. Samen, en met Gods hulp, kunnen wij het.' En ze deden het.

Onze jeugd heeft minder kritiek nodig en meer voorbeelden om te volgen. U, adviseurs van de Aäronische-priesterschapsquorums bent een leerkracht en voorbeeld voor de jongemannen. Kent u het evangelie? Hebt u de les voorbereid? Kent u elke jongen en stelt u gebedvol vast hoe u zijn verstand en hart kunt raken en hem kunt assisteren bij het vormen van zijn toekomstige mogelijkheden?

Denk eraan, het is niet genoeg aan te nemen dat als u lesgeeft, de jongen ook luistert naar wat u zegt. Dat zal ik illustreren:

In wat wij de westelijke bestuurskamer van het bestuursgebouw van de kerk noemen, hangt een prachtig schilderij van de hand van kunstenaar Harry Anderson. Het schilderij beeldt Jezus uit die op een stenen muurtje zit met talloze kinderen om Hem heen, die weten dat zij zijn liefde hebben. Elke keer als ik daarnaar kijk, denk ik aan de schrifttekst: 'Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet; want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods.'2

Ik gaf in die kamer eens een zalving aan een jongetje dat spoedig een zware operatie zou moeten ondergaan. Ik wees hem en zijn ouders op het schilderij van Jezus en de kinderen. Vervolgens maakte ik enkele opmerkingen over de Heiland en zijn oneindige liefde. Ik vroeg de jongen of hij nog vragen had. 'Ja', antwoordde hij ernstig. 'Broeder Monson, hoe komt een jongen als ik aan zo'n geit en riem net als in dat schilderij?'

Heel even was ik uit het veld geslagen door de onverwachte vraag, maar ik antwoordde: 'Jezus geeft jou en mij gaven die veel belangrijker zijn dan een geit en een riem. Hij geeft ons een routekaart naar de hemel. Zijn leringen, zijn voorbeeld, zijn liefde zijn veel grotere gaven dan de wereld te bieden heeft.'

'( . . . ) kom hier, volg Mij',3 nodigde Hij ons uit. Wij doen er verstandig aan Hem te volgen!

Laat elke jongeman die het Aäronisch priesterschap draagt de leringen van de Heiland leren en naleven, en zich voorbereiden op het Melchizedekse priesterschap.

Broeders, ik wil u over mijn eigen ervaring als president van het lerarenquorum vertellen. Het lid van de bisschap dat aan ons was toegewezen, nodigde het presidium en de secretaris uit om bij hem thuis leiderstraining te ontvangen. Hij wilde horen hoe wij dachten onze pas ontvangen taken uit te gaan voeren. Wij gingen akkoord -- op voorwaarde dat hij zijn vrouw, Nettie, zou vragen ons wat van de vleespasteien te geven waar zij bekend om stond. Daar stemde hij in toe. Is het niet opmerkelijk hoe wij, mannen, onze echtgenote verplichten om iets te doen -- vaak zonder waarschuwing vooraf? De vergadering die we bij hem hielden, was een van de beste die ik ooit heb bijgewoond. Hij leerde ons op ons eigen begripsniveau en inspireerde ons om voor onze quorumleden te zorgen.

Na een heerlijke vleespastei, bedekt met jus, vroegen we de raadgever van de bisschop en zijn vrouw om samen met ons een spelletje Monopoly te doen. Ik ben er zeker van dat ze nog wel wat anders te doen hadden, maar ze stemden bereidwillig toe.

Ik kan me niet herinneren wie het spelletje Monopoly won, maar ik heb de lessen die ik die avond geleerd heb, nooit vergeten.

In het tumult van de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog wilde een lid van ons lerarenquorum, Fritz, ons land verdedigen, maar hij wilde niet wachten tot hij de vereiste minimumleeftijd bereikt had. Hij gaf een andere leeftijd op en nam dienst bij de marine. Al gauw was hij ver weg verwikkeld in de strijd in de Stille Oceaan. Het schip waarop hij voer werd tot zinken gebracht, waarbij veel manschappen het leven verloren. Fritz overleefde het en verscheen later in onze quorumbijeenkomst in vol ornaat, compleet met lintjes. Ik herinner me dat ik Fritz vroeg: 'Heb je nog een advies voor ons?' Wij stonden allemaal op het punt voor militaire dienstplicht te worden opgeroepen.

Fritz dacht daar even over na en zei: 'Lieg nooit over je leeftijd -- of iets anders.' Die ene zin herinner ik me nog steeds.

De jongemannen in de leeftijd van twaalf tot en met zeventien bevinden zich in een periode van voorbereiding en geestelijke groei. Bijgevolg behoren de doelen van de Aäronische priesterschap ertoe te leiden dat elke jongeman die geordend is:

1. Het evangelie van Jezus Christus aanvaardt en naleeft;

2. Zijn ambt in het priesterschap grootmaakt en de taken die erbij horen, uitvoert;

3. Zinvol dienstbetoon verleent;

4. Naar het Melchizedeks priesterschap en de tempelverordeningen toewerkt;

5. Zich op een eervolle voltijdzending voorbereidt en die ook vervult;

6. Een goede echtgenoot en vader wordt.4

Over de hele wereld is een grote zendelingenmacht werkzaam, die rondgaan, weldoende. Zendelingen leren waarheid. Zij verjagen de duisternis. Zij verbreiden vreugde. Zij brengen dierbare zielen tot Christus.

Op die bijzondere dag dat er een zendingsoproep ontvangen wordt, verzamelen ouders, broers, zussen en grootouders zich rond de toekomstige zendeling, ze zien hoe zenuwachtig hij is bij het openmaken van zijn brief. Er is even stilte en dan kondigt hij aan waar de profeet van de Heer hem naartoe heeft geroepen. Er komen emoties los. Er verschijnen makkelijk tranen, en het gezin verheugt zich in hun liefdesband en in de liefde van God.

De voltijdzendelingen en alle anderen die bij het werk van de Heer betrokken zijn, hebben gehoor gegeven aan zijn oproep. Wij zijn in opdracht van de Heer. Wij zullen slagen in de ernstige opdracht die Mormon gegeven heeft om het woord van de Heer onder zijn volk te verkondigen. Mormon heeft geschreven: 'Ziet, ik ben een discipel van Jezus Christus, de Zoon van God. Ik ben van zijnentwege geroepen om zijn woord onder zijn volk te verkondigen, opdat zij het eeuwige leven mogen hebben.'5

In 1926 riep president Fred Tadje, president van de Duits-Oostenrijkse Zending, een conferentie bijeen in Dresden (Duitsland) voor augustus. De zendelingen moesten vanuit hun werkgebied naar de conferentie lopen, eigenlijk zonder buidel of male, hoewel ze een kleine hoeveelheid geld bij zich moesten hebben om te voorkomen dat ze gearresteerd werden als landloper.

Ouderling Alfred Lippold en zijn collega, ouderling Parker Thomas, namen de noordelijke route. Onderweg klopten ze aan bij een huis waar ze een vrouw en haar acht kinderen vonden. Zij vertelde de zendelingen dat haar man haar en de kinderen had verlaten en dat zij nu zonder geld zaten. Toen zij ze had binnengelaten, zei de vrouw: 'Als u zonder buidel of male reist, moet u wel honger hebben. Ga zitten.' Ze gaf ieder van hen een groot stuk brood met pruimenjam. De zendelingen spraken een zegen over het 'ontbijt' uit en vroegen daarbij de Heer om de vrouw te zegenen met wat zij nodig had.

Vervolgens vertrokken de zendelingen. Toen ze ongeveer anderhalve kilometer gelopen hadden, zei ouderling Thomas: 'Ik moet teruggaan', en deed dat zonder verdere uitleg.

Toen hij weer terugkwam, vroeg ouderling Lippold: 'Waarom ben je teruggegaan?'

Ouderling Thomas legde uit: 'In ons gebed vroegen we of de vrouw zou krijgen wat zij nodig had. Ik had wat zij nodig had -- en biljet van twintig dollar. Dat zat in mijn zak, en ik ben teruggegaan om haar dat te geven. Het zou in mijn zak gebrand hebben.'

Dertig jaar geleden was ik verantwoordelijk voor veel van het werk op de eilanden in de Stille Zuidzee. Ene broeder J. Vernon Monson werd met zijn vrouw geroepen om naar het verre Rarotonga, onderdeel van de Cook-eilanden, te reizen en daar werkzaam te zijn als districtspresident.

Later bracht hij in een brief verslag uit: 'Wij zijn zeer dankbaar voor de vooruitgang die hier gemaakt wordt. Ik zou vooral de goodwill en de geweldige relaties willen noemen die hier ontwikkeld zijn tussen ons, de kerk, de regering en de zakenwereld.

'Er is iets dat de publieke aanvaarding in de hand heeft gewerkt, namelijk dat mijn neef en nicht, dr. Odeen Manning en zijn vrouw, hier in de Cook-eilanden geweldig dienstbetoon hebben verricht. Dr. Manning is oogarts en ik stuurde hem een voorstel om dienstbetoon te verrichten voor het volk van Rarotonga. Mijn voorstel hield in: 1. Dat hij geen vergoeding zou ontvangen. 2. Dat hij zijn eigen kosten zou betalen. 3. Dat hij zijn praktijk door de andere artsen zou laten waarnemen tijdens zijn drie maanden afwezigheid. 4. Dat wij hen gratis kost en inwoning zouden verschaffen tijdens hun verblijf in Rarotonga, en 5. Dat hij zijn eigen chirurgische instrumenten mee zou nemen, daar er geen beschikbaar waren in Rarotonga.'

Broeder Vernon Monsons brief aan mij vervolgde: 'De Mannings stuurden hun antwoord per luchtpost -- twee woorden: "Aanbod geaccepteerd." Bij de voorbereidingen wees de regering van de Cook-eilanden bevoegde artsen toe om dr. Manning te assisteren en door hem te worden opgeleid. In totaal werden er 284 patiënten onderzocht, van wie de meesten een bril kregen. 53 patiënten ondergingen een zware operatie, zoals een staaroperatie.

'Het hele programma van drie maanden was geweldig en hartverwarmend. We werden echt gezegend. Het heeft de heiligen ook opgebeurd, want zij waren er trots op lid te zijn van een geloof dat medische bijstand in hun land verleende.' En hij sloot de brief af.

Jaren later waren mijn vrouw en ik te gast bij een door BYU georganiseerde cruise naar het Heilige Land. Toen we op een avond aan dek zaten, wendde de man die naast ons zat zich tot mij en zei: 'Ouderling Monson, mijn naam is Odeen Manning uit Woodland Hills (Californië). Ik ben oogarts van beroep en heb een korte zending naar Rarotonga vervuld toen mijn oom en tante daar werkzaam waren.'

Ik vertelde dat ik op de hoogte was van zijn opoffering en dienstbetoon. Ik vroeg dr. Manning: 'Als u terugdenkt aan die ervaring, zou u mij dan uw gevoelens erover willen vertellen?'

Hij antwoordde ontroerd: 'Het was in geestelijk opzicht de meest lonende ervaring van mijn leven.'

Ik geloof dat het meer dan toeval was dat mijn vrouw en ik precies toen aan boord van dat cruiseschip waren, en op dat tijdstip aan dek waren, en dat er een man naast ons zat die we nooit eerder ontmoet hadden. De hemel was nabij toen dr. Manning en ik elkaar omarmden en we onze dank uitspraken voor zijn dienstbetoon -- niet alleen voor hen die blind waren en nu konden zien, maar ook voor de Heer en Heiland, die heeft gezegd: '( . . . ) groot zijn de beloften des Heren aan hen, die op de eilanden der zee zijn'.6

Van Hem die ieder van ons van een eindeloze dood verlost heeft, waarlijk Jezus Christus, getuig ik dat Hij de Leraar van waarheid is -- maar Hij is meer dan een leraar. Hij is het Voorbeeld van het volmaakte leven -- maar Hij is meer dan een voorbeeld. Hij is de grote Genezer -- maar Hij is meer dan een genezer. Hij die het 'verloren bataljon' van de mensheid gered heeft, is de letterlijke Heiland van de wereld, de Zoon van God, de Vredevorst, de Heilige van Israël -- ja, de herrezen Heer -- die heeft verklaard: 'Ik ben de Eerste en de Laatste; Ik ben het, die leeft, Ik ben het, die werd gedood; Ik ben uw Voorspraak bij de Vader.'7

Mijn geliefde broeders, laten wij allen

  • van Hem leren;

  • in Hem geloven;

  • op Hem vertrouwen;

  • Hem volgen;

  • Hem gehoorzamen.

    Door dat te doen, kunnen wij worden zoals Hij. Van die waarheid getuig ik plechtig. In de naam van Jezus Christus. Amen.

    NOTEN

    1. Joseph S. Murdock, 1822­1899, 'Komt, hoort naar eens profeten stem', Lofzangen van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
    2. Marcus 10:14.
    3. Lucas 18:22.
    4. Zie Handboek Aäronisch-priesterschapsdragers, 1991, blz. 6.
    5. 3 Nephi 5:13.
    6. 2 Nephi 10:21.
    7. Leer en Verbonden 110:4.

  •  
    © 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy