The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
April 1998
'Wij streven dat na'

'Wij streven dat na'

President James E. Faust
Tweede raadgever in het Eerste Presidium

Wij hopen dat jullie net als zij mannen zijn, 'die te allen tijde getrouw' zijn 'in alle dingen', die jullie worden 'toevertrouwd'. [Alma 53:20] Vanavond wil ik pleiten voor meer overeenkomst tussen ons geloof en onze daden.

President James E. Faust

Broeders, ik vind het fijn om hier vanavond bij u te zijn. Er zijn maar weinig taken die zwaarder wegen dan spreken tot deze geweldige vergadering van priesterschapsdragers, want het priesterschap is de sterkste kracht op aarde. B. H. Roberts heeft in dat verband gezegd: 'Het priesterschap is een plechtige zaak. Het is zowel een eer als een verantwoordelijkheid als men met macht van de almachtige God begiftigd is ­ bevoegdheid om in zijn naam te spreken en te handelen, en dat met dezelfde bindende kracht alsof de Godheid zelf gesproken of gehandeld had.'1 Jullie, jongemannen, zien er in mijn ogen uit als Helamans jeugdige soldaten, 'die zowel in moed als in kracht en werklust uitblonken'. Wij hopen dat jullie net als zij mannen zijn, 'die te allen tijde getrouw' zijn 'in alle dingen', die jullie worden 'toevertrouwd'.2

Vanavond wil ik pleiten voor meer overeenkomst tussen ons geloof en onze daden. Ik ga uit van het dertiende geloofsartikel. 'Wij geloven eerlijk te moeten zijn, trouw, kuis, welwillend, deugdzaam, en goed te moeten doen aan alle mensen; met recht mogen wij zeggen dat we de aansporing van Paulus volgen: wij geloven alles, wij hopen alles, wij hebben veel verdragen en hopen alles te kunnen verdragen. Als er iets deugdelijk, liefelijk, eervol of prijzenswaardig is, dan streven wij dat na.'3 Broeders, is de Geest van Christus, die wij op ons genomen hebben, ook van invloed op ons gedrag in onze baan? Brigham Young heeft gezegd: 'Wij willen dat de heiligen steeds betere mensen worden, totdat onze mecaniciens bijvoorbeeld zo eerlijk en betrouwbaar zijn dat de spoorwegmaatschappij zegt: "Geef ons maar een 'mormoons' ouderling als machinist, dan hoeven we ons geen zorgen te maken, want als hij weet dat er gevaar dreigt, zal hij iedere noodzakelijke voorzorgsmaatregel nemen om het leven van hen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd te bewaren." Ik wil dat onze ouderlingen zo integer zijn dat die maatschappij de voorkeur aan hen geeft als monteurs, veiligheidspersoneel, ingenieurs, administratief personeel en bedrijfsleiders. Als wij naar onze godsdienst leven en de naam "heiligen der laatste dagen" waardig zijn, kunnen al dat soort zaken volmaakt veilig aan ons worden toevertrouwd; als dat niet het geval is, betekent het dat wij onze godsdienst niet naleven.'4 Waar president Young de priesterschapsdragers in zijn tijd toe aanspoorde, is even belangrijk in onze tijd. De Geest van Christus moet aanwezig zijn in alles wat wij doen, op ons werk, op school en thuis.

President Kimball heeft ons geleerd hoe we eens en voor altijd beslissingen kunnen nemen om het goede te doen. Hij nam belangrijke beslissingen al vroeg in zijn leven, zodat hij die beslissingen niet steeds opnieuw hoefde te nemen. Hij zei: 'Sommige dingen kunnen we één keer uit ons leven bannen en dan is het klaar ( . . . ) zodat we niet honderd keer hoeven te piekeren en opnieuw te beslissen wat we zullen doen en wat we niet zullen doen.'5

Tijdens de Tweede Wereldoorlog heb ik waargenomen hoe enkele heel bijzondere jongemannen uit getrouwe mormoonse gezinnen hun principes stukje bij beetje overboord gooiden en hun spiritualiteit gedeeltelijk verloren. In sommige overzeese gebieden was het drinkwater niet veilig en de zuiverende chemicaliën bedierven de smaak nog meer. Sommigen gingen koffie drinken om het water niet te proeven. Af en toe werden ons in het leger sigaretten gegeven en een rantsoen drank. Sommigen namen zo'n rantsoen niet aan. Sommigen namen het aan om te ruilen tegen spullen of geld, al rookten en dronken zij zelf niet. Enkelen namen het aan om het eens uit te proberen en raakten voor de rest van hun leven verslaafd. De gewoonten die zij tijdens de oorlog vormden, beroofden hen van hun geestelijke mogelijkheden en van vele zegeningen van de Heer.

Dragers van het priesterschap van God moeten mannen met een smetteloos karakter zijn. Ik heb altijd bewondering gehad voor de integriteit van vader Abraham toen hij vanuit Egypte terugkwam in Palestina. Hij kwam met zijn neef, Lot. Al gauw was er onenigheid tussen de herders van Abrahams vee en de herders van Lots vee. 'Dus zeide Abram tot Lot: Laat er toch geen twist zijn tussen mij en u, en tussen mijn herders en uw herders, want wij zijn mannen broeders.'6 Abraham liet aan Lot de eerste keus van land, links of rechts. Lot koos het meer vruchtbare land aan de oostkant en dus nam Abraham het land in het westen. Na verloop van tijd werd Lot met zijn hele familie in een veldslag gevangengenomen en naar Dan, een kleine tweehonderd kilometer naar het noorden, meegenomen. Toen Abraham hoorde wat hem overkomen was, bewapende hij 318 dienstknechten en ging erop af. Niet alleen redde hij Lot en zijn familie, maar ook zorgde hij dat zij hun bezittingen in Sodom terugkregen. De koning van Sodom keerde terug uit ballingschap en bood Abraham, uit dank, de buit van de overwinning aan. Maar Abraham weigerde en zei: 'Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt!'7 Bij deze gebeurtenissen betoonde Abraham zijn eerlijkheid, integriteit en geloof. En de Heer beloonde hem met zowel geestelijke als aardse zegeningen zodat hij uiteindelijk voorspoediger was dan Lot.

Eerlijkheid is een heel belangrijke eigenschap. We kennen allemaal wel mensen die menen dat zij geen rekenschap hoeven af te leggen tegenover de wetten van de mens of van God. Zij schijnen te denken dat de regels voor menselijk gedrag niet op hen van toepassing zijn. Een gewilde filosofie is: 'Hoever kan ik gaan?' Zoals eens gezegd is: 'Het verschil tussen een man met moraal en een man van eer is dat de laatste een verwerpelijke daad ook betreurt als hij er succes mee heeft gehad.'8

Eerlijkheid begint als we nog jong zijn. Toen ik elf jaar was, zag ik erg uit naar mijn magische twaalfde verjaardag, waarop ik diaken en scout zou worden. Mijn moeder hielp me bij het leren van de geloofsartikelen, de scoutwet en het scoutmotto en andere vereisten, zodat ik goed voorbereid zou zijn als die bijzondere verjaardag zich aankondigde.

Aangezien ik geen zusjes had, moesten mijn broers en ik zowel klusjes binnenshuis als buitenshuis doen, zoals melken en de dieren verzorgen. Op een dag bleef ik alleen thuis met de afwas en het opruimen van de keuken, terwijl mijn moeder voor een zieke buurvrouw zorgde. Ik nam die taken aan, maar stelde de afwas uit. De tijd ging voorbij en het werd niet gedaan. Ik was er niet eens aan begonnen. Toen moeder thuiskwam en de keuken zag, deed ze haar schort voor en ging naar de gootsteen. Ze sprak slechts vijf woorden die scherper staken dan een dozijn horzels kon doen. Het waren de eerste vijf woorden van de scoutwet: 'Op mijn woord van eer.' Op die dag besloot ik dat ik mijn moeder nooit meer reden zou geven om die woorden voor mij te herhalen.

Ter wille van onze eer moeten wij te allen tijde eerlijk zijn. Sommige jongelui lossen hun schulden bij hun ouders niet in. 'Mag ik een tientje voor de film lenen?' Dat impliceert een belofte om de schuld terug te betalen, maar de belofte wordt zo nonchalant gedaan dat hij is vergeten zodra hij is uitgesproken.

Wij moeten voorzichtig zijn om niet verkeerd gebruik te maken van kredietmogelijkheden. Het gebruik van creditcards heeft de schuld van de consument in veel plaatsen tot ontstellende hoogten gebracht. Ik moet denken aan het verhaal van 'Een oude boer [die] het volgende naar een postorderbedrijf schreef: "Stuurt u mij alstublieft zo'n benzinemotor van bladzijde 787 en als hij goed is, stuur ik u een cheque." Na enige tijd ontving hij het volgende antwoord: "Stuur ons alstublieft een cheque. Als hij goed is, sturen wij de motor".'9

Onze huidige maatschappij stort zich roekeloos op het vergaren van de stoffelijke goederen van deze wereld. Het gevolg is dat velen denken dat zij de wet van de oogst kunnen veranderen en beloningen kunnen oogsten zonder de prijs van eerlijke arbeid en moeite te betalen. Omdat ze meteen succes willen hebben, speculeren ze met zeer riskante financiële plannen die onmiddellijke rijkdom moeten brengen. Maar al te vaak loopt dit op economische tegenslag uit, soms zelfs op hun financiële ondergang. In Spreuken lezen we: 'Een betrouwbaar man heeft veel zegen, maar wie naar rijkdom jaagt, blijft niet ongestraft.'10

Als leden van de kerk, en in het bijzonder als dragers van het priesterschap, geloven wij in kuisheid. Er is geen ongelijke of dubbele norm voor zedelijke reinheid voor mannen en vrouwen in de kerk. Eigenlijk geloof ik dat priesterschapsdragers een grotere verantwoordelijkheid hebben om kuise maatstaven vóór het huwelijk en trouw in het huwelijk te handhaven. De Heer heeft gezegd: 'Weest rein, gij, die de vaten des Heren draagt.'11 Dit betekent reinheid in gedachte en in daad. De profeet Joseph Smith heeft gezegd: 'Als wij voor God willen staan, moeten wij onszelf rein houden, zoals Hij rein is.'12 Als man en vrouw zuiver en kuis blijven, volledig aan elkaar toegewijd tijdens de stormen en zonneschijn van het leven, zal hun liefde voor elkaar zich tot iets bovenaards verdiepen. Een apostel uit de begintijd van de herstelde kerk, Parley P. Pratt, heeft gezegd: 'Uit deze eenheid van liefde spruiten alle andere intermenselijke betrekkingen voort, gezelligheid en sympathieën die door elke tak van het menselijk bestaan stromen.'13

Zoals de profeet Joseph Smith in het dertiende geloofsartikel schreef, geloven wij welwillend te moeten zijn en goed te moeten doen. Sedert het begin van de kerk hebben voltijdzendelingen goed gedaan. Wij zijn dankbaar voor de 58.000 zendelingen die momenteel dienst doen. Het Eerste Presidium heeft de gelegenheid met vele ambassadeurs, premiers, regeerders en vooraanstaande officiële en politieke figuren uit de hele wereld kennis te maken. Vaak zeggen zij: 'Wij hebben uw zendelingen gezien. We hebben ze in veel plaatsen gezien.' Soms bezoeken deze vooraanstaande mensen het opleidingsinstituut voor zendelingen in Provo en zien daar duizenden zendelingen. Deze personen schijnen altijd erg onder de indruk te zijn. De zendelingen zien er goed verzorgd en waardig uit. Soms zeggen ze: 'We zouden graag zien dat onze kinderen contact hebben met uw jonge mensen op één van uw scholen.'

Zendeling zijn is een blijvende verantwoordelijkheid. Teruggekeerde zendelingen moeten de beginselen die zij in het zendingsveld aan anderen hebben geleerd voorbeeldig naleven. President Spencer W. Kimball heeft gezegd: 'Alstublieft, teruggekeerde zendelingen, ( . . . ) doe alstublieft geen afstand, in uiterlijk noch in principe, noch door gewoonte, van de geweldige ervaringen van het zendingsveld, toen jullie als Alma en de zoons van Mosiah waren, ja, als de engelen van God voor de mensen die jullie onderwezen en doopten. Wij verwachten niet dat jullie elke dag een das, een wit overhemd en een donkerblauw kostuum dragen, nu jullie weer gaan studeren. Maar het is toch zeker niet te veel gevraagd dat jullie je zelf goed blijven verzorgen en dat jullie de gewoonten reinheid en waardigheid weerspiegelen, en trots in de beginselen van het evangelie dat jullie hebben verkondigd. Wij vragen dit voor het welzijn van het koninkrijk en voor allen die trots op jullie waren en zijn.'14

De aansporing van Paulus omvat hoop om 'alles te kunnen verdragen'. Ouderling Clinton Cutler heeft getoond hoe hoop, doorzettingsvermogen en vastberadenheid de zegeningen van de hemel afroepen. Hij werd letterlijk een werktuig in de handen van de Heer. Clint en Carma Cutler vonden elkaar al tijdens hun middelbare school. Toen ze trouwden betaalden ze hun schoolgeld door middel van een basketbalbeurs. Maar al gauw kregen ze het financieel krap, dus ging Clint voor een telefoonbedrijf werken. Zijn eerste baantje was het wassen, smeren en onderhouden van de vrachtauto's. Dat leidde tot een baantje als kabelreparateur in het hoofdkantoor. Drieënhalf jaar lang had Clint een volledige baan en volgde een volledige schoolopleiding. In december 1960 studeerde hij af, cum laude. Tegen die tijd had hij vier kinderen.

Er kwamen enkele overplaatsingen en promoties. Toen hij in 1963 in Riverdale (Utah) werkte, werd Clint als bisschop geroepen. Drie jaar later verhuisden ze naar Midvale (Utah), waar Clint als tweede raadgever in het ringpresidium werd geroepen.

Nog drie jaar later werd Clinton overgeplaatst naar Denver, waar hij als president van de ring Littleton (Colorado) werd geroepen. Ze verhuisden nog vaker, onder andere naar Boise (Idaho), waar hij als president van de ring Boise-West (Idaho) werd geroepen. Een latere overplaatsing bracht ze terug naar Salt Lake City, waar Clint als regionaal vertegenwoordiger werd geroepen. Zijn laatste promotie was in 1984 tot assistent-vice-president/marketing-manager. Zijn bedrijf scheen hem daar te plaatsen waar de Heer hem nodig had.

Na zijn pensioen keerden ze terug naar Utah en al gauw ontving Clint de roeping om als president van het zendingsgebied Seattle (Washington) te dienen. In april 1990 kwam zijn laatste roeping als algemeen autoriteit in het Tweede Quorum der Zeventig. Zijn oproep tot dienstbetoon eindigde met zijn overlijden op 9 april 1994 na een heldhaftige strijd tegen kanker.

Ik wil hiermee niet zeggen dat roepingen in presiderende functies of promoties de maatstaf voor getrouwheid of naleving van de gedragsnormen zijn. Dat zijn ze niet en zullen ze nooit zijn. Wij zijn allen rijkelijk gezegend door de nederige, getrouwe leerkrachten die ons het evangelie door middel van voorschrift en voorbeeld hebben geleerd. Maar het voorbeeld van ouderling Cutler toont aan dat geloof, hoop en doorzettingsvermogen onze Vader in de hemel in de gelegenheid stellen ons te sterken en onze bekwaamheden en kansen, hoe gewoon die ook zijn, te vergroten.

Leden van de kerk moeten liefelijkheid nastreven. Wij beogen niet een laagje vernis aangebracht met een wereldse kwast, maar de zuivere aangeboren schoonheid die God in onze ziel heeft geplant. Wij moeten de dingen nastreven die hogere gedachten en edeler impulsen losmaken. De mens is, als hij vooruitgang maakt, zoals president John Taylor eens zei, 'bestemd ( . . . ) voor hogere en grotere zegeningen en heerlijkheid dan op momenteel op aarde te vinden zijn ( . . . ). Hij kan, als kind van God, rein, deugdzaam, intelligent en eerbaar zijn, en zoeken naar, en geleid en geregeerd worden door de raad van zijn Vader.'15 Wij kunnen met president Brigham Young delen in de hoop dat wij 'zacht en vriendelijk zijn, bescheiden en oprecht, vol geloof en integriteit ( . . . ) [want] goedheid legt een krans van liefelijkheid om ieder persoon die haar bezit, laat hun gelaat van licht stralen en maakt hun gezelschap begerenswaardig vanwege haar voortreffelijkheid.'16

In de geschiedenis van deze kerk hebben wij veel verdragen. Als wij de toekomst tegemoet zien, hopen wij alles te kunnen verdragen. Ik vertrouw erop dat wij dat ook zullen doen, hoewel niemand ten volle weet wat er vóór ons ligt. Hoe zullen wij alle dingen verdragen? Het antwoord is verbazend eenvoudig. Wij doen dat door geloof, door eensgezindheid en door de profeten van God te volgen. Zo was het in het verleden; zo zal het in de toekomst zijn.

Sedert het begin van de aarde heeft God, in zijn oneindige wijsheid, zijn volk door profeten geleid. Maar slechts één persoon tegelijk kan alle sleutels van bevoegdheid gebruiken. Op dit moment is die profeet president Gordon B. Hinckley Als we naar de wereldomvattende programma's van de kerk kijken, kunnen we toch niet aan het profetisch leiderschap van president Hinckley twijfelen. Wij bidden allen dat God hem zal blijven steunen en in alle opzichten versterken. Als wij president Hinckley en allen die als profeet, ziener en openbaarder met hem samenwerken ten volle steunen, zullen wij daardoor beter alles kunnen verdragen. Dat wij dat zullen doen, bid ik in de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. New Witnesses for God, (1911) 3 delen, deel 1, blz. 195.
2. Alma 53:20.
3. Geloofsartikel 1:13.
4. Teachings of Presidents of the Church: Brigham Young, blz. 24.
5. The Teachings of Spencer W. Kimball, bezorgd door Edward L. Kimball, blz. 164.
6. Genesis 13:8.
7. Genesis 14:23.
8. H. L. Mencken, Dictionary of Humorous Quotations, bezorgd door Evan Esar, New York, 1949, blz. 126.
9. Jacob M. Braude, Braude's Treasury of Wit and Humor (1964), blz 45.
10. Spreuken 28:20.
11. Leer en Verbonden 38:42.
12. Zie Leringen van de profeet Joseph Smith, blz. 204.
13. Writings of Parley Parker Pratt, bezorgd door Parker Pratt Robison (1952), blz. 54.
14. The Teachings of Spencer W. Kimball, blz. 593.
15. The Government of God, (1852), blz. 29­30.
16. Teachings of Presidents of the Church: Brigham Young, blz. 219.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy