The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast Archives CES Fireside

De Schriften: kostbaarder dan goud en zoeter dan honing

Zuster Susan W. Tanner
Algemeen jongevrouwenpresidente
CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen
zondag 11 september 2005
Brigham Young University

Zuster Susan W. TannerMijn dank aan dit fijne koor. De muziek was prachtig en nodigde de Geest uit om hier te zijn. Ik was ook blij met het openingsgebed. Het viel me op dat er in het gebed werd gevraagd dat ieder van ons vanavond de Geest zou voelen en dat wij geïnspireerd zouden worden op een manier die wij vooral nodig hebben. En dat is ook mijn gebed. Ik ben zo dankbaar voor de gelegenheid om hier vanavond bij jullie te zijn. Maar als ik mijn zin kreeg, was deze devotional een echte, ouderwetse haardvuuravond zodat ik jullie in mijn huiskamer dicht bij de haard kon zetten en een goed gesprek met je hebben, zoals ik zou doen als jullie mijn eigen kinderen van jullie leeftijd waren. Ik zou jullie waarschijnlijk eerst vertellen over mijn dochter die op zending is. Doen de meeste moeders van zendelingen dat niet? Ik schreef haar onlangs dat ik het vanavond zou hebben over mijn liefde voor de Schriften. En dit is haar antwoord:

‘Ik ben blij dat mam over schriftstudie gaat spreken! Volgens mij is de manier waarop ik de Schriften bestudeer een van de grootste veranderingen die ik heb doorgemaakt. Ik vind het nu heerlijk om de Schriften te bestuderen. Ik vind elke kans die ik daartoe krijg geweldig. Ik kan het bijna niet uitleggen, maar het is net als in Alma 32:28, waar het woord heerlijk wordt. Ik vind van wel. Ik denk dat ik de Schriften eerder wel mocht, maar nu ben ik er gek op! Volgens mijn collega weet ze het altijd als ik tijdens zendelingenlessen op het punt sta een schrifttekst op te slaan omdat mijn ogen dan oplichten en ik bladzijden begin om te slaan. Ik vind het heerlijk om mensen antwoord te geven op hun vragen over de Schriften.’

Ik hoop dat mijn dochter in Australië de kans krijgt om hiernaar te luisteren en dat ze nog gemotiveerder raakt voor haar schriftstudie, als dat enigszins mogelijk is. En ik hoop dat het woord ook voor jullie heerlijk wordt, net als voor haar en mij, want de Schriften zijn echt ‘kostelijker (...) dan goud (...) en zoeter dan honig’ (Psalmen 19:11).

De zoetheid van de Schriften

Herinneren jullie je Tevje uit de musical Fiddler on the Roof, de arme melkman met vijf dochters, die ervan droomde rijk te zijn? Waarom zou jij hopen rijk te zijn? Waarschijnlijk vanwege ongeveer dezelfde dingen die hij wenste. Hij wilde een vooraanstaand burger zijn, een groot huis hebben, niet zo hard hoeven te werken, enzovoort. Maar dat waren niet zijn diepste verlangens. Zijn liefste droom, voor als hij rijk zou worden, kan ons wat ongewoon voorkomen. Weet je nog — hij zong:

‘Als ik rijk was, had ik de tijd die ik nu tekort kom.
Om in de synagoge te zitten bidden.
En misschien een stoel bij de oostmuur te hebben.
En ik besprak dan de heilige boeken met de geleerde mannen,
urenlang elke dag.
Dat zou toch wel het heerlijkst zijn.’
(Liedtekst naar Sheldon Harnick, ‘If I Were a Rich Man’, Fiddler on the Roof [1965].)

Als je rijk was, zou je dan dagelijks uren van je vrije tijd besteden aan je studie van de ‘heilige boeken’, oftewel de Schriften? Als je rijk was, zou de grootste vreugde die je je kon indenken dan zijn dat je meer tijd aan intensieve schriftstudie kon besteden?

Heilige boeken bestuderen wordt door orthodoxe joden als een grote zegen beschouwd — en een groot voorrecht. In feite zijn er joodse tradities om een kind dat aan zijn onderwijs in de Torah begint een hapje honing te geven zodat hij de studie van de heilige boeken met zoetheid associeert. De bedoeling daarvan was om deze woorden over de Schriften in Psalmen meer nadruk te geven: ‘Hoe aangenaam zijn uw redenen voor mijn verhemelte, meer dan honig voor mijn mond’ (Psalmen 119:103).

En in Psalmen 19 worden de Schriften met goud en honing vergeleken. De Psalmist verlustigt zich op een prachtige manier in het woord van de Heer:

‘De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige.

‘De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen.

‘De vreze des Heren is rein, voor immer bestendig; de verordeningen des Heren zijn waarheid, altegader rechtvaardig.

‘Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja dan honigzeem uit de raat.

‘Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning’ (Psalmen 19:8–11).

Al die termen in deze tekst — wet, getuigenis, bevelen, geboden, vrees (of eerbied) en verordeningen — zijn synoniemen voor het woord van de Heer, oftewel de Schriften. Zij zijn ‘kostelijker (...) dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja dan honigzeem uit de raat.’

Ik denk wel eens dat we ons meer zoals Tevje en mijn dochter zouden moeten voelen. Vinden wij de Schriften heerlijk — zo kostbaar als goud en zoeter dan honing? Verheugen wij ons in de Schriften en overpeinzen we ze zoals Nephi ons heeft geleerd? (Zie 2 Nephi 4:15–16.) Passen we ze op onszelf toe, zoals Jakob ons adviseerde? (Zie 2 Nephi 6:5.) Doorzoeken we ze op de woorden van de Heer voor ons, om ons bekering, wijsheid, verlichting, openbaring, troost en vreugde te geven? Zien we ze als een van onze fijnste en allesovertreffende zegeningen?

Hongeren naar de Schriften

Misschien worden de Schriften nog zoeter en dierbaarder voor ons als we er meer naar hongeren. Enkele maanden geleden reisde ik naar Afrika, waar de heiligen vaak hongeren naar voedsel, maar waar ze er interessant genoeg nog meer naar hongeren om zich te vergasten aan het woord van de Heer. In elk van de vier landen die ik bezocht, voelde ik de sterke geest en het grote geloof van de mensen. In materieel opzicht hadden ze zo weinig, maar in geestelijke zin waren ze rijk. Ze hadden de blijde boodschap van het evangelie — de eenvoudige en duidelijke waarheden uit de Schriften. Hun beduimelde standaardwerken gingen mee naar elke bijeenkomst. Ze onderwezen erin, lazen er uit voor, kenden ze en hielden van ze.

Tijdens een avondmaalsdienst ging een jeugdige spreker naar het spreekgestoelte met alleen zijn standaardwerken. Hij had veel van die eigenaardigheden die jonge sprekers vaak hebben, die hun hoofd wat laten zakken en schuifelen met hun voeten, maar zijn boodschap was krachtig. Hij had het over opoffering en begon met oudtestamentische teksten over bloedoffers. Toen sloeg hij met het grootste gemak 3 Nephi in het Boek van Mormon op en zei dat het oude was weggedaan met de komst van de Heiland, die nu een offer van een gebroken hart en een berouwvolle geest vereiste. Hij gebruikte geen notities, alleen maar zijn kennis van de leer. Het was een goed voorbeeld van hoe wij uit de Schriften zouden moeten onderrichten.

Ik dacht in verband met die heiligen weer aan psalm negentien. De wet van de Heer was hun middel tot bekering. Het getuigenis van de Heer maakte die eenvoudige, intelligente mensen wijs. Zij hadden lichtjes in hun ogen en vreugde in hun hart omdat zij de wet, het getuigenis, de verordeningen en de geboden van de Heer hadden. In één plaats moesten de leden tot wel vier uur lopen om naar een bijeenkomst te gaan. Ze hadden geen vervoer, soms zelfs geen schoenen, en erg weinig voedsel. Zij zijn landbouwers die uitsluitend voor eigen gebruik verbouwen, maar ze hadden al enkele jaren een ernstige droogte. En toch vergastten zij zich aan Gods woorden. Ze waren ‘kostbaarder dan goud en zoeter dan honing’.

In een ander Afrikaans land vond ik nog meer mensen die hongerden naar onderricht in het woord van de Heer. De dag dat wij daar arriveerden, had de overheid het openbaar vervoer stilgelegd omdat er geen brandstof was. De ringpresident was ervan overtuigd dat de zevenhonderd leden die van plan waren geweest om de haardvuuravond bij te wonen geen enkele manier zouden hebben om er te komen. Wij verzekerden hem dat we net zo veel of zo weinig mensen zouden onderwijzen als er kwamen. Toen we twintig minuten voor aanvang binnenliepen, zagen we driehonderd eerbiedige heiligen bijeenvergaderd die aandachtig luisterden naar lofzangen van een muziekcassette. Ik voelde de Geest heel sterk. Door het een of andere wonder arriveerden er in de loop van de bijeenkomst nog eens driehonderd mensen. Zij hongerden naar de woorden van de Heer. Ze hadden allemaal hun Schriften bij zich en lazen enthousiast mee terwijl wij uit de Schriften onderwezen. Door hun voorbeeld zag ik opnieuw in dat ik zelf iets te verbeteren had. Misschien hebben velen van ons hun hart te veel op wereldse schatten gericht. Ik vraag me af of we nonchalant of zelfgenoegzaam zijn geworden in het bestuderen van het woord en naleven van de leer.

De oudtestamentische profeet Amos heeft het over een honger naar het woord, of met andere woorden: geestelijke honger. ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here Here, dat Ik een honger in het land zal zenden — geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des Heren te horen’ (Amos 8:11). In Afrika maakte ik kennis met heiligen die niet alleen hongerden naar brood en water, maar ook naar de woorden van de Heer. Omdat zij geestelijke honger hebben gehad, hebben zij — zoals Nephi heeft gezegd — geleerd hoe zij zich ‘aan de woorden van Christus [kunnen] vergasten; de woorden van Christus zullen u alle dingen zeggen die gij behoort te doen’ (2 Nephi 32:3).

Denken jullie je de geestelijke honger eens in die we zouden hebben zonder Schriften om ons aan te vergasten. Door de eeuwen heen hebben veel mensen het zonder een kroniek van de wet moeten stellen. Denk eens aan Lehi’s gezin toen zij de wildernis in vluchtten, of bijvoorbeeld aan de Mulekieten, die ‘geen kronieken meegebracht’ (Omni 1:17) hadden, of de oudtestamentische tijden toen de mensen het wetboek niet hadden, of de wet vergeten waren, zoals toen Ezra en Nehemia de joden die uit Babylonische gevangenschap terugkeerden opnieuw in de wet moesten onderwijzen (zie Nehemia 8:1–13).

Leer in je jeugd van de Schriften te houden

Mijn lievelingsvoorbeeld uit het Oude Testament is dat van koning Josia die als jongetje van acht de troon besteeg. Het is een goed voorbeeld van de invloed die een jeugdig persoon heeft als hij de Schriften kostbaarder vindt dan goud en zoeter dan honing. Alle koningen vóór Josia en alle na hem waren goddeloos. Ofwel hadden zij de wet niet, of zij besloten die niet te lezen en na te komen. Maar onder koning Josia vond hogepriester Chilkia het verloren wetboek in het huis des Heren (zie 2 Koningen 22:8). Het werd aan Josia voorgelezen. Josia’s hart stond ervoor open en hij bekeerde zich en weende voor de Heer (zie 2 Koningen 22:19). Toen liet hij zijn hele volk bij de tempel bijeenkomen en las de woorden aan hen voor, en samen verbonden zij zich om Gods geboden te onderhouden:

‘Hij las te hunnen aanhoren al de woorden van het boek des verbonds dat in het huis des Heren gevonden was.

‘Toen ging de koning [met zijn volk] staan bij de zuil en sloot een verbond voor het aangezicht des Heren, dat men de Here zou volgen en van ganser harte en ganser ziele zijn geboden, getuigenissen en inzettingen zou houden en de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven waren, zou gestand doen. En het gehele volk trad tot het verbond toe’ (2 Koningen 23:2–3).

Wat een inspirerend verhaal. Ik vraag me vaak af waarom Josia zo’n kloekmoedige geest was die gehoor gaf aan de leringen in het wetboek. Waarom was zijn reactie anders dan die van de koningen die hem voorgingen en na hem kwamen? Kun je dit op jullie leeftijd op de een of andere manier toepassen, deze les in het op waarde schatten van de Schriften door ze te lezen, na te leven, je te verbinden de geboden die erin staan te onderhouden, en dan dat verbond na te komen?

Misschien raakten de Schriften een eeuwige snaar bij Josia, of brachten ze hem iets in herinnering wat hij in het voorsterfelijk bestaan had geleerd. Ouderling Maxwell heeft in 1991 tijdens een CES-symposium aan de BYU gezegd: ‘Misschien schuilt de bijzondere kracht van de Schriften erin dat ze bij ons gevoelens wakker maken in onze flitsen van herinneringen uit het voorbestaan, of misschien roepen ze in elk geval onze neigingen uit die tijd op.’ (‘Teaching by the Spirit — “The Language of Inspiration”’, Old Testament Symposium Speeches, 1991 [1991], p. 1.)

Misschien is dat de reden waarom we in de Schriften zo vaak het gebod om te gedenken tegenkomen (zie Mosiah 2:41, Alma 37:13; Helaman 5:9, 12; 14:30). Wij gedenken niet alleen de wonderen en barmhartigheden in dit leven, maar ook de dierbare leringen uit ons voorsterfelijke leven. Ouderling Maxwell heeft ons geleerd dat we veel kunnen leren door te studeren en te overpeinzen, waardoor wij glimpen opvangen van lessen die wij vroeger van onze hemelse Vader geleerd hebben.

Tijdens een bezoek dat ouderling Maxwell in Rusland aan een zendingspresident en zijn gezin bracht, maakte hij op een ochtend een praatje met de vijf jonge dochters in het gezin. Het eerste wat hij hun vroeg, was welke schrifttekst ze die dag overdacht hadden. Die vraag verraste de meisjes. Maar denk er eens over na. Ouderling Maxwell nam gewoon aan dat de Schriften voor hen, net als voor hem, kostbaarder waren dan goud en zoeter dan honing. Als wij deden wat hij voorstelde en altijd een schrifttekst in gedachten hadden, zouden we aan schriftstudie doen terwijl we van het ene klaslokaal naar het andere gingen, naar afspraken reden, of het huis schoonmaakten. Dan zouden we daar al jong mee beginnen en er voortdurend mee bezig zijn. We zouden ons voortdurend aan het woord vergasten en onze eigen geestelijke honger vermijden. De woorden van God zouden ‘niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in [ons] hart’ geschreven worden (2 Korintiërs 3:3).

Zelfs de allerjongste kleinkinderen van ouderling Maxwell wisten dat hij het vaak over de Schriften had. Velen van jullie herinneren zich beslist dat hij in zijn laatste conferentietoespraak vertelde over een bezoek dat hij een keer laat op de avond aan zijn kleinkinderen bracht. Zijn kleinzoon Robbie was al naar bed. Toen ouderling Maxwell arriveerde, riep zijn moeder: ‘Robbie, opa Neal is hier!’ Hij hoorde uit de slaapkamer een moe stemmetje zeggen: ‘Zal ik mijn Schriften meenemen?’ (Conference Report, april 2004, p. 48; of Ensign, mei 2004, p. 46.) Net als Josia, de jonge koning, en kleinzoon Robbie zouden wij al jong moeten leren om van de Schriften te houden, ons eraan te vergasten en ervan te leren.

Onze eigen kleinkinderen leren ook al van de Schriften houden. We zijn zo blij met hun reacties. Joshua van drie, bijvoorbeeld, houdt wel van een verhaal met een held, en hij riep vaak bij de climax van elk schriftuurverhaal: ‘En wie brengt er weer redding? Jezus!’ Joshua leerde een belangrijke les, namelijk dat Jezus écht onze Redder is. Zelfs zijn naam betekent dat. Nu bidt hij voor de personages die hij dagelijks heeft leren kennen. Hij bad eens dat Petrus niet nog eens zou zinken en vervolgens dat de zwijnen die het water in renden niet zouden verdrinken. Een andere keer bad hij dat Laman en Lemuël aardig zouden zijn voor Nephi. En we hebben hem zelfs horen bidden voor de papa van Jezus — zijn hemelse Vader. Joshua kreeg laatst van de kinderkamerleidster in het jeugdwerk zijn eigen echte boek-van-mormon. Sindsdien wil hij dat zijn moeder hem niet meer uit de schriftuurlijke stripverhalen voorleest. Hij zegt dat hij de echte verhalen het beste vindt.

Een andere kleinzoon van me, Tanner, die zes jaar is, kreeg afgelopen zomer zwemles. Eerst was hij erg bang voor water. Op de dag dat ze helemaal zelfstandig het diepe in moesten springen, had de familie blijkbaar bij het ontbijt niet zoals gebruikelijk in de Schriften gelezen. Hoewel Tanner zenuwachtig was, sprong hij toch in het diepe water. Maar toen hij eruit kwam, maakte hij zijn moeder heel duidelijk dat hij van streek was. Hij zei: ‘Als we er vanochtend aan hadden gedacht om in de Schriften te lezen, was ik niet zo bang geweest om erin te springen.’ Onze dochter vatte dat op als een reprimande, maar was blij dat haar zoontje zoveel waarde hechtte aan de Geest en de kracht die de Schriften ons geven. Door schriftstudie kunnen we de kracht krijgen om in het diepe te springen wanneer dat van ons wordt gevraagd (zie LV 127:2).

De leer kan ons leven veranderen

De apostel Paulus prijst Timoteüs omdat hij al jong de Schriften leert kennen en leert ze lief te hebben. En daarbij beschrijft hij ook de grote zegeningen die de Schriften ons bieden:

‘Dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus.

‘Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid,

‘opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust’ (2 Timoteüs 3:15–17).

Wat een fijne zegeningen krijgen we als we de Schriften bestuderen. Zij kunnen ons wijs ‘tot zaligheid’ maken. Zij kunnen ons geloof in Jezus Christus en zijn plan vergroten. Zij kunnen ons bewust maken van onze zwakheden en behoefte aan bekering. Zij kunnen ons leerstellingen bijbrengen.

President Boyd K. Packer heeft al vaak gezegd: ‘Ware leer die begrepen wordt, voert tot veranderingen in houding en gedrag. Het bestuderen van de leerstellingen van het evangelie zal veel sneller tot gedragsverandering voeren dan een gedragsstudie.’ (Liahona, januari 2004, p. 15.) Door de Schriften kunnen wij ware leer rechtstreeks van de bron leren, waardoor wij op onze beurt geholpen worden om volmaakt of volledig te worden, zoals Paulus zegt. Het is nooit te laat om je uitgebreid te vergasten aan de leer in de Schriften. In feite zou vanavond voor ons allemaal een prima moment zijn om te beginnen.

Dit is een periode in je leven waarin je grote, belangrijke beslissingen neemt over bijna alles — opleiding, beroep, carrière, zending, vrienden en vriendinnen, uitgaan, huwelijk, kinderen, financiën, woonsituatie, getrouwheid in de kerk enzovoort. Ik heb er hard en lang over gebeden en nagedacht wat ik kon zeggen om ieder van jullie te helpen in deze belangrijke en beslissende jaren. Je hebt individuele leiding nodig. Je hebt persoonlijke openbaring nodig om je te helpen in jouw unieke omstandigheden. Alma heeft gezegd dat ‘de prediking van het woord (...) een krachtiger uitwerking op het gemoed van het volk [had] dan het zwaard of iets anders (...) — daarom achtte Alma het raadzaam dat zij het met de kracht van het woord Gods probeerden’ (Alma 31:5). Ik weet en ik getuig dat ieder van ons troost, leiding en persoonlijke openbaring zal krijgen als we ‘de kracht van het woord Gods’ proberen.

Hoe komt het dat schriftstudie zo’n krachtige uitwerking op ons heeft? De Schriften nodigen de Geest uit. En de Geest troost en leidt ons. De Geest onderwijst ons en openbaart ons de bedoeling en wil van de Heer voor ons. President Spencer W. Kimball heeft gezegd:

‘Ik heb gemerkt dat als mijn relatie met de Godheid oppervlakkig is en als het erop lijkt dat God niet naar mij luistert, ik ver weg ben. Als ik me in de Schriften verdiep, wordt de afstand kleiner en ben ik geestelijker ingesteld.’ (The Teachings of Spencer W. Kimball, Edward L. Kimball [1982], p. 135.)

De Schriften zegenen ons met troost

In een filmbiografie van C.S. Lewis deed zijn personage een diepzinnige uitspraak over het gebed, die volgens mij net zo goed toe te passen is op het lezen van de Schriften. Hij zei: ‘Ik bid omdat ik mezelf niet kan helpen. Ik bid omdat ik hulpeloos ben. Ik bid omdat de behoefte daartoe voortdurend van mij uitgaat, of ik nu wakker ben of slaap. Het verandert God niet, het verandert mij.’ (William Nicholson, Shadowlands, [script voor toneel en film, 1994].) Ik had hetzelfde gevoel ten aanzien van de Schriften. Ik wend me tot de Schriften omdat ‘de behoefte daartoe voortdurend van mij uitgaat’. Ik ben mij bewust van mijn enorme behoefte om mijn ziel te voeden met Gods woorden die mij alles bijbrengen wat ik moet weten. Ze veranderen me.

Velen van jullie zullen zich het inspirerende verhaal van Betsie en Corrie ten Boom herinneren, twee Nederlandse zusjes die in nazi-Duitsland gevangen werden gezet en zich in Ravensbrück, het beruchte concentratiekamp voor vrouwen, tot de Bijbel wendden. Corrie vertelt ons:

‘Voor ons was de Bijbel, van ’s morgens vroeg totdat het licht uitging, zolang we niet op appèl stonden, het middelpunt van een steeds groter wordende cirkel van hulp en hoop. We dromden eromheen als zwervers om een fel vlammend vuur en we hielden ons hart voor de warmte en het licht. Hoe zwarter de nacht om ons heen werd, hoe feller en waarachtiger en mooier het woord Gods brandde. “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? (...) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.”

‘Ik keek om mij heen als Betsie las en zag het licht van gezicht tot gezicht springen.’ (Zie De schuilplaats [1971].)

De woorden Gods voedden en ondersteunden deze vrouwen. Ze brachten ze warmte en licht. Ze waren kostbaarder dan goud en zoeter dan honing.

De Schriften zegenen ons met openbaring

Soms zijn de precieze woorden in de Schriften een krachtig antwoord op onze gebeden. Als we de Schriften lezen, stelt dat ons verstand en ons hart open voor gedachten die door de Geest worden ingegeven. Wij zullen veel eerder dergelijke hulp ontvangen als we ons zoekend, verlangend en vragend tot de Schriften wenden.

Joseph Smith kreeg bij het lezen van de Schriften en het stellen van geïnspireerde vragen telkens en telkens weer openbaring. We weten allemaal dat we het heerlijke eerste visioen hebben omdat een veertienjarige jongen de Schriften bestudeerde en een belangrijke vraag stelde. Hij moest weten welke kerk waar was, en hij klampte zich vast aan de belofte in Jakobus dat de Heer antwoord zou geven aan hen die Hem oprecht vragen. Wist je dat afdeling 76 van de Leer en Verbonden tot Joseph kwam toen hij de geschriften van het evangelie van Johannes over het heil van de mens overpeinsde? Het visioen van de graden van heerlijkheid ontvouwde zich voor hem. Een mormoonse geleerde heeft de volgende inschatting gemaakt:

‘Meer dan de helft van de openbaringen in de Leer en Verbonden werden ontvangen in de periode waarin hij een geïnspireerde revisie van de Bijbel maakte. (...) In de vertaalactiviteiten van Joseph Smith zien we hoe je openbaring ontvangt. De profeet begroef zich in de Schriften, er doken vragen op, kwesties waar hij nieuwsgierig naar was en andere vraagstukken, en dat resulteerde in veel gevallen in nader licht en kennis voor de heiligen der laatste dagen in de vorm van hedendaagse openbaringen.’ (Robert L. Millet, ‘Joseph Smith’s Translation of the Bible and the Doctrine and Covenants’, onder redactie van Robert L. Millet en Kent P. Jackson, Studies in Scripture: Volume One, the Doctrine and Covenants [1984], deel 1, p. 139.)

Andere profeten deden hetzelfde. Afdeling 138 van de Leer en Verbonden werd aan president Joseph F. Smith geopenbaard terwijl hij de geschriften van Petrus over de geestenwereld overpeinsde.

Ieder van ons heeft recht op persoonlijke openbaring. De Schriften zijn misschien wel onze beste bron daarvoor. Een docent aan de BYU heeft eens dit verhaal verteld van een vrouw die vanwege haar schriftstudie door de Geest werd geleid. De docent zei:

‘Een vrouw ontving bij het lezen van de Schriften leiding om te leren hoe ze de stem van de Geest moest herkennen. Ze leerde hoe ze in gebed kon knielen, haar hemelse Vader kon danken voor de Schriften, kon vragen of de Geest tijdens het lezen bij haar mocht zijn, en hoe de Heer vervolgens kon vertellen wat ze op een bepaalde dag uit de Schriften nodig had — een vraag waar ze antwoord op wilde hebben, leiding in een relatie, of bevestiging van een beslissing. Dan deed ze de Schriften open en begon te lezen. Ze hoefde nooit erg veel te lezen (...) voordat de Geest haar het antwoord ingaf dat ze nodig had. Door die dagelijkse vraag-en-antwoord-zittingen met de Schriften en de Geest stond ze steeds meer open voor de influisteringen van de Geest — en werd ze verliefd op de Schriften.

‘Ik heb dit aan anderen verteld die hetzelfde experiment geprobeerd hebben; de resultaten zijn verbluffend. Allerlei problemen, van financiële tot relatieproblemen, zijn opgelost. En tegelijkertijd heeft men steeds beter leren luisteren naar de stem van de Heilige Geest.’ (‘Let Your Spirit Take the Lead’, Wendy L. Watson, The Power of His Redemption [2004], p. 326.)

Ik heb ook de Schriften leren liefhebben en erop vertrouwen. Ze zijn voor mij veel kostbaarder dan goud. Ik krijg niet altijd zo makkelijk antwoorden, maar ik krijg ze wel. Soms krijg ik gewoon een gevoel van gemoedsrust en troost terwijl ik probeer de wil of de planning van de Heer te begrijpen. Toen ik nog een jonge moeder was, moedigde president Spencer W. Kimball de vrouwen in de kerk aan om schriftdeskundigen te worden (‘The Role of Righteous Women’, Ensign, november 1979, p. 102). Als de tijd het toeliet, zou ik jullie over ontelbare manieren vertellen waarop het gehoor geven aan die aansporing mij als moeder heeft geholpen. Als je mijn standaardwerken door zou kijken, zou je de namen van mijn kinderen in de kantlijn zien bij veel teksten waarvan ik door de kracht van openbaring wist dat ik ze met hen moest doornemen.

Maar de woorden van de Heer zijn mij ook in mijn kerkroepingen tot zegen geweest. Toen ik pas als jongevrouwenpresidente was geroepen, wendde ik me tot de Schriften. Ik was op zoek naar troost en leiding vanwege mijn gevoelens van ontoereikendheid en overweldigd zijn door een taak waarbij mijn beperkte vermogens in het niet vielen. De schriftverhalen over profeten en leiders die zich ook ontoereikend voelden voor hun roeping gaven me gemoedsrust en leerden me dat de Heer hen grootmaakt die Hij roept.

Een van die profeten, Henoch, heeft gezegd: ‘Hoe komt het dat ik genade heb gevonden in uw ogen, ofschoon ik maar een knaap ben, en alle mensen mij haten? Want spreken valt mij zwaar; waarom ben ik uw dienstknecht?

‘En de Heer zeide tot Henoch: Ga heen en doe, gelijk Ik u geboden heb (...). Doe uw mond open, en hij zal gevuld worden en Ik zal u te spreken geven’ (Mozes 6:31–32). Mozes voelde zich ook ontoereikend, en de Heer beloofde hem: ‘Ik zal met uw mond zijn en u leren, wat gij spreken moet’ (Exodus 4:12). En Jeremia kreeg deze zegen: ‘Vrees niet (...), want Ik ben met u om u te bevrijden (...). Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond’ (Jeremia 1:8–9).

Bij mijn studie putte ik vooral troost uit de beloften aan de Heiland. Ik had het gevoel dat mijn hemelse Vader wilde dat ik die zegeningen op mijzelf zou toepassen. ‘De Here God heeft Mij de tong van de geleerde gegeven, opdat Ik te rechter tijd een gepast woord [...] weet te spreken’ (Jesaja 50:4). Bij deze tekst stond een verwijzing naar een andere, die ik als motto heb aangenomen: ‘Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerstaan of weerleggen’ (Lucas 21:15). De afgelopen drie jaar heb ik dagelijks om mond en wijsheid gebeden. Het was mijn grootste verlangen (en precies dat waarin ik mij het meest ontoereikend voelde) om te weten te komen waarin de Heer wilde dat ik onderwees — dat ik wijsheid zou krijgen en dan de woorden zou vinden om de boodschap over te brengen — dat ik een mond zou hebben. Door de Schriften heb ik persoonlijke openbaring gevonden die mij in deze roeping heeft geleid en getroost. De woorden van de Heer zijn begerenswaardiger dan ‘goud [en] zoeter dan honing’ voor mij (Psalmen 19:11).

De Schriften zegenen ons met een getuigenis

Een van de grote zegeningen die wij als lid van de kerk hebben, is hedendaagse Schriftuur die ons het bevestigende getuigenis geeft dat Jezus de Christus is en die een volheid van de leerstellingen van zijn evangelie herstelt. Ieder van onze hedendaagse profeten heeft ons aangemoedigd om het Boek van Mormon te lezen en de leringen die erin staan na te leven, met de belofte dat het ons grote zegeningen zal brengen.

Ik denk dat we inmiddels allemaal wel weten dat president Gordon B. Hinckley in augustus elk lid van de kerk vroeg om het Boek van Mormon te lezen of te herlezen vóór het eind van dit jubileumjaar. Waarom zou onze profeet ons dat gevraagd hebben? Waarom niet? Ieder van ons moet zich afvragen: Wat moet ik nog leren? Hoe moet ik me verbeteren? Waar heb ik hulp mee nodig?’ We zullen onze eigen redenen en behoeften voelen om het Boek van Mormon te lezen. En toen beloofde president Hinckley ons dat we ‘meer de Geest des Heren [zullen] gaan ervaren, de geboden stipter willen naleven en een groter getuigenis [zullen] krijgen dat de Zoon van God werkelijk leeft.’ (‘Een krachtig en waar getuigenis’, Liahona, augustus 2005, p. 6.)

Het Boek van Mormon draagt de Geest van de Heer in zich. Mijn vrienden Wilford en Kathleen Andersen, die in Guadalajara (Mexico) een zendingsgebied hebben gepresideerd, zagen de geest van het Boek van Mormon letterlijk aan het werk. Zuster Andersen had het gevoel dat ze haar drie zoons het laatste jaar van hun zending thuisonderwijs moest geven in plaats van ze naar school te sturen. Maar ze had hulp nodig met de Spaanse les. Ze bad dat ze een geschikte leraar mocht vinden. Ze werd geleid naar Irma Encinas, die al twintig jaar leerkracht was en zojuist naar hun woonplaats was verhuisd. Irma Encinas kwam de jongens twee keer per week lesgeven.

Na drie weken besefte zuster Andersen dat ze iemand in dienst had genomen die misschien wel wat meer over de kerk te weten zou willen komen. En dus vertelde ze haar over Joseph Smith en het Boek van Mormon. Vervolgens besloot zuster Andersen dat haar zoons voor hun Spaanse les het Boek van Mormon zouden bestuderen. De jongens lazen tijdens de les de Schriften in het Spaans hardop voor. En de lerares kreeg opdracht om ze vragen te stellen over het gelezene, waarop de jongens haar in het Spaans moesten antwoorden. Terwijl de jongens Spaans leerden, leerde Irma Encinas over het Boek van Mormon.

Na Kerstmis ging Irma Encinas naar zuster Andersen toe en begon te huilen. Ze moest haar vertellen wat er aan de hand was. Ze zei dat het gezicht van de jongens iedere keer dat ze uit het Boek van Mormon voorlazen door licht omgeven was. Zodra ze hun boek dicht deden, verdween het licht. Ze bekende dat haar zus, die bij haar inwoonde, elf jaar eerder een exemplaar van het Boek van Mormon had gekregen, maar het nooit had gelezen. Door deze ongebruikelijke ervaring gingen ze allebei op zoek naar dat stoffige boek. Ze wilden zelf ontdekken wat dat licht was dat van dit boek uitging. Ik denk dat jullie wel snappen hoe het verhaal verder gaat. Ze begonnen in het Boek van Mormon te lezen en wilden toen de zendelingenlessen volgen. Twee weken na hun eerste les lieten ze zich dopen.

Mijn getuigenis

President Hinckley heeft ieder van ons beloofd dat we datzelfde licht krijgen als we het Boek van Mormon lezen. Ik heb het Boek van Mormon de afgelopen weken opnieuw uitgelezen. Het heeft opnieuw een getuigenis in mijn hart doen ontbranden dat Jezus Christus de Verlosser van de wereld is. Bijna elk vers getuigt van Hem. President Boyd K. Packer heeft gezegd: ‘Van de zesduizend plus verzen in het Boek van Mormon gaat er meer dan de helft over Hem.’ (‘Het Boek van Mormon: eveneens een testament aangaande Jezus Christus — duidelijke en waardevolle dingen’, Liahona, mei 2005, pp. 8–9.)

De mensen in het Boek van Mormon keken naar Hem uit met hoop op zijn verlossing, en zij keken terug op zijn voorbeeldige leven en verlossing brengende dood met hoop op zijn verzoening. Lang vóór de geboorte van Christus heeft Jakob geschreven: ‘Gelooft gij de Schriften? (...) zij getuigen waarlijk van Christus. Zie, ik zeg u dat geen der profeten heeft geschreven of geprofeteerd zonder over deze Christus te spreken’ (Jakob 7:10–11). En lang na de komst van Christus heeft Mormon geschreven: ‘En de dingen die op deze platen staan, zijn mij aangenaam wegens de profetieën over de komst van Christus; en mijn vaderen wisten dat vele ervan zijn vervuld’ (De woorden van Mormon 1:4). Wat een breed en heerlijk perspectief. Toen ik dat las, wist ik dat die mensen door hun geloof in Christus en zijn verzoening pijn en beproeving doorstonden en zonde en verleiding overwonnen. Ik weet dat Jezus de levende Christus is. Ik heb ook het lied der verlossende liefde willen zingen (zie Alma 5:26).

En bij het herlezen heb ik ook een glimp opgevangen van het belang van de platen — de koperen platen, de vierentwintig gouden platen en de kroniek van de Nephieten op de grote en de kleine platen. Ik besefte dat zij voor Lehi en zijn nakomelingen kostbaarder waren dan goud. Alma trekt ons zijn woning in, zoals ik vanavond graag had gedaan, en laat ons luisteren naar zijn leringen aan zijn zoon Helaman. Hij vertelt hem waarom elk van die kronieken zo belangrijk is. Hij vertrouwt hem niet alleen de enorme taak toe van de zorg voor die platen, en van het voortzetten van het schrijven erop, maar ook van het onderwijzen in de waarheden die erop staan. Hij zegt: ‘Want even zeker als die wegwijzer (de Liahona) onze vaderen — door zijn koers te volgen — naar het beloofde land bracht, zo zullen de woorden van Christus — indien wij hun koers volgen — ons voorbij dit tranendal naar een veel beter land van belofte voeren’ (Alma 37:45).

Ik heb de zegeningen ontvangen die president Hinckley heeft beloofd — ik heb meer de Geest des Heren ervaren, heb een verlangen gekregen om me te bekeren en de geboden stipter na te leven, en heb een groter getuigenis gekregen dat de Zoon van God werkelijk leeft. Ik bid dat jullie deze periode in je jeugd zullen gebruiken om je te vergasten aan de Schriften, en er een patroon van te maken dat je de rest van je leven zult volgen, dat je door de Schriften tot persoonlijke openbaring zult komen, en dat je de leer van Jezus Christus zult leren.

‘Ik heb de Heer lief, in Hem verheugt mijn ziel zich.’ (John Tanner, ‘I Love the Lord’ [Jackman Music Corp., 2000], p. 2; zie ook 2 Nephi 4:15–16.) Ik weet dat mijn hemelse Vader leeft en dat Hij ons zo liefheeft dat Hij door zijn Schriften tot ons spreekt. Met Nephi getuig ik: ‘mijn ziel verlustigt zich in de Schriften’ (2 Nephi 4:15). Ze hebben mijn getuigenis gesterkt, hebben mij waarheden geleerd, leiding gegeven op mijn pad, en mij getroost in mijn verdriet, en ik weet zeker dat ze dat ook voor jullie zullen doen. ‘[Ik laat mij] daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning’ (Psalmen 19:11). [Zij zijn] ‘kostelijker (...) dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja dan honigzeem uit de raat’ (Psalmen 19:10). In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy